ECLI:NL:PHR:2010:BJ8531
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale waardering en loonheffing tweede telefoon door werkgever
In deze zaak staat centraal of de verstrekking van een tweede mobiele telefoon door een werkgever aan een werknemer terecht is belast volgens artikel 39 van Pro de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (UR LB 2001). De werkgever had een naheffingsaanslag en boete opgelegd gekregen wegens het niet juist verwerken van het privégebruik van de telefoon in de loonheffing.
De Rechtbank Haarlem en het Gerechtshof Amsterdam hebben geoordeeld dat artikel 39 UR Pro LB 2001 niet van toepassing is op de tweede telefoon, omdat deze regeling alleen ziet op de eerste telefoon. Het Hof heeft de bijtelling gebaseerd op een forfaitair bedrag voor privégesprekken, lager dan het forfait van artikel 39 UR Pro LB 2001, en de naheffingsaanslag en boete verminderd.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof dat de forfaitaire norm niet onverkort van toepassing is wanneer de werkelijke kosten lager zijn. De Procureur-Generaal concludeert dat de forfaitaire norm ook in die gevallen geldt en dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat toepassing van het forfait ongerijmd zou zijn. Tevens wordt ingegaan op de tenaamstelling van de naheffingsaanslag en het niet toekennen van vergoeding voor rechtsbijstand, waarbij de klachten van belanghebbende worden verworpen.
De conclusie is dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard en het Hofarrest in stand blijft, waarbij de forfaitaire waardering en loonheffing conform de geldende regelgeving wordt bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de forfaitaire norm ook geldt als de werkelijke kosten lager zijn dan het normbedrag.