ECLI:NL:PHR:2010:BK0163
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Nederlandse advocaat voor handelen buitenlandse advocaten bij beslaglegging op schip in het buitenland
De zaak betreft de aansprakelijkheid van een Nederlandse advocaat jegens zijn cliënt voor schade veroorzaakt door buitenlandse advocaten die werden ingeschakeld om beslag te leggen op een schip in het buitenland. De cliënt vordert vergoeding van een tekortkoming in de incasso van een BTW-factuur, waarbij buitenlandse advocaten hun declaraties onterecht verrekenden met het bedrag van een bankgarantie die was gesteld ter opheffing van het beslag.
De Nederlandse advocaat had de opdracht gekregen om de incasso van de factuur te verzorgen, inclusief het leggen van beslag op het schip dat zich aanvankelijk in Frankrijk en later in Spanje bevond. Hiervoor schakelde hij buitenlandse advocaten in, die beslag legden en de bankgarantie uitwonnen. De cliënt stelt dat de Nederlandse advocaat aansprakelijk is voor de tekortkomingen van deze buitenlandse advocaten als hulppersonen op grond van art. 6:76 BW Pro.
De rechtbank stelde de Nederlandse advocaat aansprakelijk en kende de gevorderde schadevergoeding toe. Het hof bekrachtigde dit oordeel en overwoog dat de buitenlandse advocaten als hulppersonen van de Nederlandse advocaat moeten worden aangemerkt, omdat hij zich had verbonden tot het leggen van beslag en de incasso, en de werkzaamheden feitelijk via hem liepen. De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse advocaat aansprakelijk is op grond van art. 6:76 BW Pro, ook al had hij geen schriftelijke opdrachtbevestiging en was onduidelijkheid over de omvang van de opdracht in zijn nadeel.
De Hoge Raad wijst erop dat de advocaat zijn cliënt niet duidelijk had gemaakt dat hij de beslaglegging en uitwinning van de bankgarantie niet als onderdeel van zijn opdracht had aanvaard. Daarmee is het niet onaanvaardbaar dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de gedragingen van de buitenlandse advocaten. Wel vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het hof niet voldoende heeft gemotiveerd waarom toepassing van art. 6:76 BW Pro niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, en verwijst de zaak voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Nederlandse advocaat is aansprakelijk voor tekortkomingen van de buitenlandse advocaten op grond van art. 6:76 BW, maar de zaak wordt voor verdere beoordeling terugverwezen.