ECLI:NL:PHR:2010:BK0368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid van artikel 18 EG op naheffing bpm bij kortdurend gebruik buitenlands gekentekende auto door inwoner Nederland
Belanghebbende, een in Nederland woonachtige Nederlander, gebruikte voor privédoeleinden de in Duitsland geregistreerde auto van een familielid. De Inspecteur legde hem een naheffingsaanslag bpm op wegens het gebruik van de Nederlandse weg met een buitenlands kenteken. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat deze naheffing in strijd is met artikel 18 EG Pro, dat het recht van iedere EU-burger op vrij reizen en verblijven waarborgt, en met het evenredigheidsbeginsel, omdat de heffing niet evenredig was aan de gebruiksduur van de auto in Nederland.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen dit oordeel en betoogde onder meer dat artikel 18 EG Pro niet van toepassing is op de situatie en dat het nationale evenredigheidsbeginsel niet tot toetsing aan de naheffingsaanslag leidt. Tevens voerde hij aan dat geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit. De Procureur-Generaal concludeerde dat het gebruik van een buitenlands gekentekende auto door een in Nederland woonachtige Nederlander een grensoverschrijdend element bevat en daarmee onder het bereik van artikel 18 EG Pro kan vallen.
De Hoge Raad overweegt dat de vraag of artikel 18 EG Pro ook het recht op reizen zonder verblijf omvat, onduidelijk is en dat prejudiciële beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewenst is. Tot die uitspraak zal de Hoge Raad het geding schorsen. De zaak betreft de afweging tussen nationale belastingheffing en de fundamentele vrijheden van EU-burgers, waarbij het evenredigheidsbeginsel en het discriminatieverbod eveneens een rol spelen.
Uitkomst: De Hoge Raad overweegt het geding te schorsen en een prejudiciële vraag aan het HvJ EG voor te leggen over de reikwijdte van artikel 18 EG.