ECLI:NL:PHR:2010:BK0870
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overdracht erfpachtsrecht en redelijkheid van voorwaarden door waterschap
De zaak betreft een verzoek tot vervangende rechterlijke machtiging voor de overdracht van een erfpachtsrecht op grond van art. 5:91 lid 4 BW Pro. Verzoeker heeft sinds 1991 een erfpachtperceel van het Hoogheemraadschap, waarop algemene erfpachtvoorwaarden van 1982 (AV 1982) van toepassing zijn. Het waterschap stelde voorwaarden aan overdracht, waaronder beëindiging van het bestaande recht en vestiging van een nieuw recht onder gewijzigde voorwaarden (AV 2005), met een hogere canon.
De kantonrechter en het hof wezen het verzoek af, stellende dat het waterschap voorwaarden mag verbinden aan toestemming voor overdracht, ook met betrekking tot de canon. Het hof oordeelde dat wijziging van de canon niet leidt tot een nieuw erfpachtsrecht en dat de voorwaarden niet onredelijk zijn. Verzoeker betoogde dat de voorwaarden het goederenrechtelijke karakter van erfpacht schenden en dat hij op grond van eerdere communicatie mocht vertrouwen op ongewijzigde overdracht.
De Hoge Raad bevestigt dat wijziging van de canon of de berekeningsmethode niet automatisch een nieuw erfpachtsrecht oplevert, mits dit binnen de grenzen van redelijkheid gebeurt. Tevens stelt de Hoge Raad dat algemene erfpachtvoorwaarden van het waterschap geen recht vormen in de zin van art. 79 RO Pro, omdat zij niet algemeen verbindende voorschriften zijn maar onderdeel van individuele overeenkomsten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten toetsen of de door het waterschap gestelde voorwaarden redelijk zijn en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek tot ongewijzigde overdracht werd afgewezen zonder deze toetsing. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing.