9. Wijziging van het erfpachtsrecht, waaronder ook valt te begrijpen de wijziging van de erfpachtsvoorwaarden voor zover het gaat om bedingen die deel uitmaken van het goederenrechtelijke recht, dient op dezelfde wijze te geschieden als de vestiging van het recht van erfpacht. Dat betekent dat de wijziging zal moeten worden ingeschreven in de openbare registers om derdenwerking te hebben. Dit geldt ook als in de akte van vestiging is opgenomen dat de erfverpachter bevoegd is de voorwaarden eenzijdig te wijzigen. Zie Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 2008 (5*), nr. 218a. Een wijziging van de canon is geen wijziging van het erfpachtsrecht wanneer in de vestigingsakte met periodieke herziening is rekening gehouden en de hoogte van de herziene canon uit de akte van vestiging is af te leiden. Als een vastgestelde berekeningsgrondslag wordt aangepast, geldt dit evenwel wel als wijziging.
In de literatuur wordt de vraag wanneer een wijziging van de voorwaarden resulteert in het ontstaan van een nieuw erfpachtsrecht, niet eenduidig beantwoord. In Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 2008 (5*), nr. 218a, wordt de opvatting verdedigd dat wijziging van de inhoud van het erfpachtsrecht in beginsel als een voortzetting in gewijzigde vorm moet worden beschouwd, doch dat dit niet het geval is als het object van het erfpachtsrecht wordt uitgebreid; in geval van uitbreiding van het object ontstaat een nieuw erfpachtsrecht ten aanzien van het toegevoegde gedeelte en blijft het reeds bestaande erfpachtsrecht in ongewijzigde vorm bestaan. Aangetekend wordt dat in de vorige druk van dit handboek (Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), nr. 218) - en op veel andere plaatsen in de literatuur - een andere lijn wordt gevolgd waarbij van belang wordt geacht of de wijziging een van de 'essentialia' van de erfpachtsovereenkomst betreft, waarbij onder 'essentiale' veelal wordt verstaan een 'belangrijk onderdeel' van het recht, en niet een 'ontstaansvereiste'. Een niet in de vestigingsakte voorziene wijziging van de (berekeningsgrondslag van de) canon wordt veelal gezien als een zodanige wijziging. Aangenomen wordt dat een wijziging resulteert in een nieuw recht als het recht op een aantal belangrijke onderdelen, zoals de grondslag van de canonberekening, de duur, de bestemming en de toepasselijke algemene voorwaarden, wordt gewijzigd. Is sprake van wijziging van twee of meer essentialia, dan wordt wel aangenomen dat een nieuw recht ontstaat. Wijziging van slechts één van de essentialia leidt in deze visie nog niet tot het ontstaan van een nieuw recht. Zie Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), 2002, nr. 218 (met verdere verwijzingen). Zie ook Mon. Nieuw BW B28 (De Jong en Ploeger), nr. 46; Van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van stedelijke erfpacht, Preadvies KNB 1995, p. 74. De Vries/Pleysier, Erfpacht en opstal, 2002, p. 113, betogen dat herziening van de canon alleen mogelijk is indien de wijziging in de vestigingsakte mogelijk is gemaakt en dat anders een nieuw erfpachtsrecht gevestigd zal moeten worden..
Resulteert een wijziging in het tenietgaan van het oude recht en het ontstaan van een nieuw recht, dan heeft zulks gevolgen voor degenen die een beperkt recht, zoals een recht van hypotheek, op het oude erfpachtsrecht hadden. Zie daarover Asser/Mijnssen,/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 243.
In het bijzonder gelet op dit laatste aspect - de gevolgen voor beperkt gerechtigden - ben ik met Asser/Mijnssen/Van Velten/Bartels 2008 (5*), nr. 218a van oordeel dat wijziging van de inhoud van het erfpachtsrecht in beginsel als een voortzetting in gewijzigde vorm moet worden beschouwd, en voorts dat in ieder geval sprake is van een nieuw erfpachtsrecht voor zover het object van de erfpacht wordt uitgebreid. Dat bevoegdheid tot wijziging moet bestaan en dat wijzigingen in de openbare registers moeten worden ingeschreven om derdenwerking te hebben, behoeft bij dit alles geen betoog.