ECLI:NL:PHR:2010:BK1615
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid ex-echtgenoot na ontbinding huwelijksgemeenschap voor onverschuldigde WW-uitkeringen
De zaak betreft een vordering van het UWV tegen een ex-echtgenote, die na ontbinding van de huwelijksgemeenschap hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de helft van een schuld wegens onverschuldigd genoten WW-uitkeringen door haar ex-echtgenoot. Het huwelijk was in gemeenschap van goederen gesloten en ontbonden door echtscheiding.
Het UWV had de ex-echtgenoot eerder aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van onterecht ontvangen uitkeringen. Na ontbinding van het huwelijk stelde het UWV de ex-echtgenote mede aansprakelijk op grond van artikel 1:102 BW Pro. De ex-echtgenote voerde verjaring aan, stellende dat de vijfjarige verjaringstermijn reeds was verstreken toen de vordering tegen haar werd ingesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat de vorderingsrechten jegens de ex-echtgenoten na ontbinding van de gemeenschap zelfstandig zijn en dat verjaring jegens de ene ex-echtgenoot niet automatisch verjaring jegens de andere ex-echtgenoot betekent. De stuiting van verjaring jegens de ene ex-echtgenoot werkt niet automatisch jegens de andere. Hierdoor kon de vordering jegens de ex-echtgenote niet als verjaard worden beschouwd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de ex-echtgenote en bevestigde de hoofdelijkheid en de zelfstandigheid van de vorderingsrechten na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat het UWV de ex-echtgenote terecht aansprakelijk kon houden voor de helft van de schuld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de ex-echtgenote hoofdelijk aansprakelijk is voor de helft van de schuld en dat de vordering jegens haar niet verjaard is.