ECLI:NL:PHR:2010:BK2142
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bij toerekening wederrechtelijk verkregen voordeel in cocaïnehandel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van drugshandel en deelname aan een criminele organisatie. Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en voor drievierde deel aan de veroordeelde toegerekend, waarbij een medeveroordeelde een ondergeschikte rol zou hebben gehad en slechts een kwart van het voordeel toekwam.
De verdediging voerde aan dat het voordeel gelijkelijk verdeeld moest worden, onder verwijzing naar verklaringen en onderzoeksgegevens die geen aanwijzingen bevatten voor een ondergeschikte rol van de medeveroordeelde. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het tot die rolverdeling is gekomen en dat dit een motiveringsgebrek oplevert.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat het hof ten onrechte strafmotivering als bewijsmiddel heeft gebruikt en dat de bewezenverklaring onvoldoende basis biedt voor het oordeel over de ondergeschikte rol. Ook is de redelijke termijn overschreden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.