ECLI:NL:PHR:2010:BK4467
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van gemeente tot onteigening en privaatrechtelijke wederbeschikbaarstellingsverplichting
In deze zaak staat centraal of de gemeente Amsterdam, gebruikmakend van haar bevoegdheid tot onteigening, gebonden is aan een privaatrechtelijke overeenkomst met eiseres die inhoudt dat zij een eerder verkocht terrein aan de gemeente dient terug te leveren en in ruil daarvoor een gelijkwaardig terrein ontvangt met vergoeding van verplaatsingskosten.
Eiseres kocht in 1976 een perceel van de gemeente, waarbij in de transportakte een wederbeschikbaarstellingsbeding was opgenomen. De gemeente wenste in 2001 het terrein terug te verwerven en startte een onteigeningsprocedure. Eiseres stelde dat de gemeente gehouden bleef aan de contractuele verplichtingen uit de transportakte, ook bij onteigening.
De rechtbank wees de vordering van eiseres toe, stellende dat de overheid gebonden is aan privaatrechtelijke overeenkomsten, tenzij zwaarwegende belangen zich verzetten. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, oordelend dat artikel 14 van Pro de transportakte een extra bevoegdheid voor de gemeente bevat die niet beperkt wordt door de wettelijke onteigeningsbevoegdheid.
De Hoge Raad bevestigt dat de gemeente door artikel 14 niet Pro is beperkt in haar wettelijke onteigeningsbevoegdheid en dat de privaatrechtelijke verplichtingen niet doorwerken bij onteigening. De klachten van eiseres worden verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de gemeente bij onteigening niet gebonden is aan de privaatrechtelijke wederbeschikbaarstellingsverplichting uit artikel 14 van de transportakte.