ECLI:NL:PHR:2010:BK4798

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02172
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over geldigheid intrekking dagvaarding en vertrouwen verdachte

In deze zaak heeft de verdachte zich in hoger beroep verweerd tegen een verstekveroordeling wegens onverzekerd rijden. De verdachte stelde dat het Openbaar Ministerie hem het vertrouwen had gegeven dat de dagvaarding in hoger beroep was ingetrokken, waardoor hij geen maatregelen hoefde te treffen om op de hoogte te blijven van de zaak.

De feiten tonen dat de verdachte aanvankelijk bij verstek veroordeeld werd en vervolgens hoger beroep instelde. Een tweede dagvaarding werd uitgereikt, maar de verdachte kreeg volgens eigen zeggen ter plekke te horen dat deze was ingetrokken, waarna hij niet meer verscheen. Er is echter geen schriftelijke bevestiging van intrekking in het dossier en geen rechterlijke beslissing hierover.

De advocaat-generaal betoogde dat de geldigheid van intrekking niet afhankelijk is van schriftelijke mededeling en dat de verdachte niet kan volstaan met een informeel bericht om te stellen dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de zaak was geëindigd. De Hoge Raad bevestigde dit en verwierp het middel van de verdachte.

De conclusie van de A-G is dat het beroep in cassatie moet worden verworpen en dat er geen ambtshalve gronden zijn om de beslissing te vernietigen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de verstekveroordeling wegens onverzekerd rijden.

Conclusie

Nr. 08/02172
Mr Jörg
Zitting 24 november 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 18 december 2007 wegens onverzekerd rijden bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis en vier maanden rijontzegging.
2. Namens verzoeker heeft mr K.B. Larooij, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel betoogt dat het Openbaar Ministerie bij verzoeker het vertrouwen heeft gewekt dat de dagvaarding in hoger beroep was ingetrokken; dat hij er zodoende gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de zaak was geëindigd; en dat het hof daarom ten onrechte de advocaat-generaal ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering.
4. De gang van zaken is blijkens het dossier als volgt geweest.
(i) Op 11 december 2006 is aan verzoeker de dagvaarding met parketnummer 09/404009-6 voor de zitting van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton Delft, van 7 februari 2007 uitgereikt.
(ii) Op deze datum is verzoeker bij verstek veroordeeld.
(iii) Op 12 februari 2007 heeft verzoeker hoger beroep ingesteld te Delft.
(iv) Op 21 maart 2007 is de dagvaarding met parketnummer 09/404009-6 voor de zitting van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton Delft, van 2 mei 2007 aan de griffier uitgereikt en is op dezelfde dag een afschrift van de dagvaarding naar verzoekers geldige GBA-adres in [plaats A] gezonden. (Aan de akte van uitreiking is onder andere ook een dagvaarding met een recenter GBA-adres gehecht, maar niet blijkt dat met die dagvaarding iets is gebeurd. Blijkens het GBA-overzicht van 13 augustus 2007 was verzoeker op 21 maart 2007 nog niet ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats B]; dit was pas vanaf 25 april 2007. Van wanneer de dagvaarding dateert die naar de [a-straat] is gezonden blijkt overigens niet.)
(v) Het dossier bevat geen rechterlijke beslissing op de dagvaarding voor de zitting van 2 mei 2007.
(vi) Het dossier bevat geen stuk van de officier van Justitie, waarin wordt aangegeven dat de dagvaarding voor deze zitting is ingetrokken.
(vii) Op 21 september 2007 is tevergeefs geprobeerd de dagvaarding van verzoeker voor de zitting van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 december 2007 op het adres [a-straat 1] te [plaats B] te betekenen. Blijkens een GBA-overzicht van 4 september 2007 is verzoeker vanaf 10 juli 2007 zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande; de dagvaarding is op 9 oktober 2007 aan de griffier betekend.
(viii) Op 18 december 2007 is tegen verzoeker, zoals reeds in de aanhef vermeld, verstek verleend en is hij veroordeeld.
(ix) Op 4 maart 2008 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld.
5. Volgens de steller van het middel is verzoeker op 2 mei 2007 in het kantongerechtsgebouw te Delft aanwezig geweest; daar is toen door de bode de dagvaarding tijdelijk ingenomen; waarna de bode heeft gemeld dat de dagvaarding was ingetrokken; dat verzoeker naar huis kon gaan en "dat er niets meer zou gebeuren."
6. Uit de omstandigheid dat het OM geen schriftelijk bericht van intrekking van de tweede dagvaarding heeft gezonden en evenmin heeft aangegeven dat deze tweede dagvaarding op een vergissing berustte en dat het hoger beroep gewoon doorgang zou vinden is verzoeker op het verkeerde been gezet en heeft hij geen maatregelen getroffen om op de hoogte te komen van de datum van de behandeling van zijn appèl, aldus de toelichting.
7. De geldigheid van de intrekking van een dagvaarding is niet afhankelijk van de schriftelijke mededeling daarvan aan de verdachte (HR 17 juni 1986, LJN AC9417, NJ 1987, 234). Verzoeker kan gelet op de gang van zaken - aangenomen dat die juist is weergegeven - niet betogen dat hij niet op de hoogte was van de intrekking.
8. Het middel gaat er in essentie van uit dat wie bij verstek door een rechter veroordeeld is en daarna enige dagvaarding ontvangt in die zaak, welke dagvaarding zonder behandeling van de zaak waarbij de verdachte aanwezig is wordt ingetrokken, hetgeen hem op informele wijze wordt meegedeeld, het gerechtvaardigde vertrouwen mag koesteren dat daarmee die veroordeling van de baan is en hem geen berichten vanwege Justitie meer zullen bereiken, zodat hij ook geen maatregelen behoeft te treffen teneinde zeker te stellen dat berichten hem nog zullen bereiken.
9. Een dergelijke stelling vindt geen steun in het recht. Hier is sprake van wishful thinking, niet van gerechtvaardigd vertrouwen.
10. Het middel faalt.
11. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G