[Eiseres] heeft sedert 14 mei 1969 in pacht van de Staat een perceel grond, gelegen ten noorden van de Rijksweg 44, te 's-Gravenhage. Het perceel is bestemd voor boomteelt. Op 24 december 1969 is de Staat eigenaar geworden van het perceel. Pachters op dat moment waren de maten van de maatschap, bestaande uit [eiseres] en haar echtgenoot, [betrokkene 1]. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 maart 1982 is [betrokkene 1] in staat van faillissement verklaard. De curatoren hebben vervolgens de pachtovereenkomst opgezegd. De Staat verkeerde in de veronderstelling de vrije beschikking over het perceel te hebben en heeft dit in de periode 1 januari 1983 tot (en) met 31 december 1986 verhuurd aan het nabijgelegen tuincentrum. Vanaf 1 januari 1987 tot en met 31 december 1992 heeft de Staat het perceel verhuurd aan Garden Centre Bloemendaal B.V.. Beide huurders gebruikten het perceel als grasland voor recreatief gebruik.
Bij dagvaarding van de 20 mei 1992 wordt de Staat in rechte door [eiseres] betrokken. Zij vordert onder andere een verklaring voor recht dat zij pachtster is van het perceel.
De pachtkamer heeft bij vonnis van 25 november 1993 de vordering tot verklaring voor recht afgewezen omdat de Staat inmiddels de pachtrechten van [eiseres] had erkend. Aan [eiseres] is het perceel per 1 januari 1993 wederom ter beschikking gesteld.
Bij brief van 21 juni 1994 heeft [eiseres] te kennen gegeven dat het perceel niet in goede staat van onderhoud aan haar is opgeleverd. Daarbij vermeldt [eiseres] dat er sprake is van brandnetels en weegbree, die tot op een diepte van 70 cm onder het maaiveld zouden zitten.
Vervolgens verzoekt de raadsman van [eiseres] eerst bij brief van 14 februari 1997 het perceel geschoond en in goede staat op te leveren. De Staat deelt bij brief van 16 april 1997 aan de raadsman van [eiseres] mede, dat de oude pachtovereenkomst van 14 mei 1969 nog steeds van toepassing is tussen partijen en dat de jaarlijkse pachtprijs fl. 509,- bedraagt.
In de brief van 16 april 1997 wordt voorgesteld de pachtpenningen over de jaren 1997 en 1998 (tweemaal fl. 509,-) niet in te vorderen onder de voorwaarde dat het gepachte perceel op kosten en ten genoegen van de pachtster wordt geschoond. In die brief wordt een bedrag genoemd van ongeveer fl. 1.000,-, voor welk bedrag een bedrijf uit Rijswijk bereid zou zijn de bedoelde werkzaamheden uit te voeren. Bij de brief is een afschrift gevoegd en aan [eiseres] is verzocht dit voor akkoord terug te zenden. Terugzending van een getekende kopie heeft niet plaatsgevonden.
Bij brief van haar raadsman van 23 mei 1997 heeft [eiseres] het aanbod aanvaard. De brief vermeldt de navolgende zinsnede:
"[Betrokkene 2], die voor u deze zaak behandelde, heeft cliënt het aanbod gedaan het verpachte land schoon opgeleverd te aanvaarden dan wel een korting op de pachtprijs te verlenen van fl. 1.000, indien cliënte het terrein zelf zou schonen. Beide onder handhaving van de oude overeenkomst.
Cliënt aanvaardt dan ook uw aanbod dat het gepachte land in geschoonde staat aan hem wordt opgeleverd waarna cliënt de jaarlijkse pachtprijs zoals overeengekomen zal voldoen. Ik verzoek u mij te berichten binnen welke termijn de grond in die staat aan hem kan worden opgeleverd. Ik verneem om die reden gaarne van U."
Door de staat is opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd in de maand juni 1997 voor een totaalbedrag van fl. 1.700, exclusief BTW. Op de nota komt de aantekening voor:
"vanwege aanwezigheid van puin in de grond en afval + boomstronken is de offerte hoger dan de eerder gemelde fl. 1.000,-".
Bij brief van 30 juli 1997 heeft de Staat aan de raadsman van [eiseres] bericht dat de grond geschoond is opgeleverd.
Bij brief van 28 augustus 1997 deelt [eiseres] mee, dat deze zich niet kan verenigen met de wijze waarop de grond ter beschikking is gesteld. In deze brief komt de volgende zinsnede voor: "Tevens werd geconstateerd dat ook puin in de grond aanwezig is. Wij kwamen overeen dat de grond geheel geschoond zou worden opgeleverd. Ik stel u thans in gebreke en verzoek u dat binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief alsnog te doen."
Eerst bij dagvaarding van 27 december 2001 wordt de Staat in rechte betrokken.
In maart 2002 wordt op verzoek van de Staat, althans Rijkswaterstaat, een inspectie uitgevoerd ter plaatse.
Aan de oppervlakte zijn aangetroffen asfaltbrokken, grespijp, kalkzandsteen, gebakken steen, betonbrokken en tegels.
In het kader van het onderzoek zijn 12 gaten gegraven om een indruk te krijgen van de aard en omvang van het puin in de bovenlaag van de bodem. In elk proefgat is in min of meerdere mate puin aangetroffen. Het type puin kwam overeen met de aan de oppervlakte waargenomen verschillende typen. De intensiteit van voorkomen van puin komt ongeveer overeen met de mate van aanwezigheid van puin aan de oppervlakte. Bij het rapport zijn foto's gevoegd.