ECLI:NL:PHR:2010:BK4935
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt nietigheid erkenning minderjarig kind in buitenland en afwijzing vervangende toestemming erkenning
De zaak betreft een geschil over de erkenning van een minderjarig kind door de man, die in Frankrijk heeft plaatsgevonden. De vrouw vorderde dat de erkenning nietig wordt verklaard en verzocht om vervangende toestemming voor erkenning door de man. Het hof vernietigde eerdere beslissingen en verklaarde de erkenning nietig, waarbij het verzoek om vervangende toestemming werd afgewezen.
Het cassatieberoep van de man richtte zich op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de toepassing van Nederlands conflictenrecht, alsmede op vermeende strijd met Europees personen- en familierecht en het EVRM. De Hoge Raad verwierp deze klachten, onder meer omdat de nationaliteit van het kind geen invloed heeft op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de klachten onvoldoende concreet waren.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de belangenafweging door het hof, waarbij het belang van het kind en de vrouw werd meegewogen tegen dat van de man, niet onbegrijpelijk was. Het hof had vastgesteld dat erkenning zou leiden tot een onstabiele opvoedingssituatie, wat het kind in zijn ontwikkeling zou belemmeren. Dit oordeel is feitelijk en valt niet in cassatie te herzien.
De Hoge Raad wees het beroep af met toepassing van artikel 81 RO Pro, waarmee de eindbeslissing van het hof standhoudt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de erkenning van het kind wordt nietig verklaard met afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming.