ECLI:NL:PHR:2010:BK5583

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02247
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 116 lid 1 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs rijden zonder rijbewijs

In deze zaak werd verdachte door het hof Amsterdam veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs op 23 februari 2006 te Schiphol. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse stukken, waaronder een proces-verbaal en registratiegegevens uit het Centraal Rijbewijzenregister.

Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was, met name dat niet was vastgesteld dat hij daadwerkelijk op die datum en plaats als bestuurder had gereden. De Hoge Raad constateerde dat het arrest geen bewijsmiddel bevatte waaruit dat bleek. Ook wees de Hoge Raad op het feit dat de zaak eerder was aangehouden vanwege ontkenning van verdachte.

De Hoge Raad verwierp het tweede middel omdat het strafmotief niet aansloot bij het bewezenverklaarde feit. Het eerste middel slaagde en de Hoge Raad vernietigde het arrest, waarna de zaak werd terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op het bestaande beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. S 08/02247
Mr Vegter
Zitting 1 december 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 28 februari 2008 zake van "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
2. Verdachte heeft op 10 maart 2008 cassatie ingesteld. Namens verdachte hebben wijlen Mr G.P. Hamer en Mr B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard:
"dat hij op 23 februari 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, heeft gereden op de weg, de Schiphol Boulevard, zonder dat een hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde."
5. Daartoe heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
"2. Een proces-verbaal met nummer 23.02.2006.1235.3623 van 4 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], wachtmeester der eerste klasse, afdeling Politiedienst Schiphol.
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:
Bij onderzoek bij het centraal register rijbewijzen is gebleken dat aan verdachte geen geldig rijbewijs was afgegeven. Voor het besturen van dit motorrijtuig was vereist een rijbewijs B. Wel is aan verdachte een bromfietscertificaat afgegeven.
3. Een geschrift, zijnde een bijlage bij het onder 2. genoemde proces-verbaal inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Een list bevragen CRB Keuzescherm.
4. Een geschrift, zijnde een brief van het RDW van 30 mei 2006 inhoudende, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Een mededeling dat uit het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB) blijkt dat verdachte staat geregistreerd met een bromfietscertificaat afgegeven door het CBR te Rijswijk op 29 oktober 2001."
6. In het arrest ontbreekt een bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op 23 februari 2006 als bestuurder van een personenauto op de Schiphol Boulevard te Schiphol heeft gereden en toen is geconstateerd dat hij niet beschikte over een daarvoor noodzakelijk rijbewijs. Ik wijs er nog op dat de zaak eerder door het Hof is aangehouden voor nader onderzoek aangezien verdachte ontkende toen aldaar te hebben gereden.
7. Aan de bespreking van het tweede middel kom ik niet toe en ik volsta met te constateren dat de strafmotivering niet aansluit bij het bewezen verklaarde rijden zonder rijbewijs, maar redenen vermeldt voor een straf ter zake van onverzekerd rijden.
8. Het eerste middel slaagt.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugverwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG