ECLI:NL:PHR:2010:BK5991
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat alimentatie niet kan worden voldaan door verrekening met vordering op huwelijksgemeenschap
Partijen waren gehuwd van 1988 tot 2006 en na hun scheiding ontstond een geschil over de alimentatiebetalingen van de man aan de vrouw en de kinderen. De man stelde dat hij zijn alimentatieverplichtingen had voldaan door verrekening met een vordering op de vrouw, voortvloeiend uit een krediet dat de vrouw had opgenomen ten behoeve van haar levensonderhoud en dat van de kinderen. De vrouw betwistte dit.
De voorzieningenrechter en het hof oordeelden dat de man geen opeisbare vordering op de vrouw had zolang de huwelijksgemeenschap nog niet was verdeeld, waardoor verrekening niet mogelijk was. Tevens werd vastgesteld dat de vrouw het krediet had gebruikt voor levensonderhoud en andere kosten, waaronder schulden van de man. Het hof bevestigde dat lijfsdwang een passend executiemiddel is voor alimentatieachterstanden na 1 augustus 2007, mede vanwege het betalingsgedrag van de man.
De Hoge Raad bevestigde dat een vordering tot verdeling van de huwelijksgemeenschap pas ontstaat bij daadwerkelijke verdeling, waardoor verrekening met alimentatie niet is toegestaan zolang die verdeling niet heeft plaatsgevonden. Ook verwierp de Hoge Raad de klachten van de man over het gezag van gewijsde van het kortgedingvonnis en over de toepassing van lijfsdwang. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege het falen van de grieven van de man.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat alimentatie niet kan worden voldaan door verrekening met een vordering op de nog niet verdeelde huwelijksgemeenschap.