1 Ontleend aan rov. 3 van het in cassatie bestreden arrest; zie ook het vonnis van de eerste aanleg, rov. 2.1 - 2.5. (De tegen rov. 2.2 van het vonnis van de eerste aanleg gerichte grief 1 werd verworpen, en dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.)
2 De DSB-organisatie fungeerde, zoals uit het dossier valt op te maken, destijds (al) als sponsor van AZ.
3 AZ geeft deze stelling nader accent door te spreken van een "volstrekt verkeerde uitleg", of door woorden van die strekking te gebruiken. Zoals hierna in alinea's 11 e.v. in meer detail te bespreken, vormen deze kwalificaties waarschijnlijk een wezenlijk element van de door AZ verdedigde opvatting; en zoals daar eveneens te onderzoeken, is de grondslag waarop die kwalificaties worden gestoeld, niet deugdelijk.
4 Men zal hier de formulering herkennen die onder meer in HR 22 december 2006, NJ 2008, 4 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3 terug is te vinden.
5 Het arrest van het hof is van 22 januari 2008. De cassatiedagvaarding is op 22 april 2008 uitgebracht.
6 Verschillende bronnen melden dat het aantal vorderingen van de hier bedoelde strekking in de afgelopen jaren aanmerkelijk zou zijn gestegen; maar dat de "successcore" van deze vordering niet in gelijke mate is toegenomen (Snijders, Nederlands Arbitragerecht, 2007, p. 271; Van den Nieuwendijk, noot bij JBPr 2007, 35, alinea 14; De Boer, TCR 2005, p. 55). 7 Deze uit het arrest van 22 december 2006 aangehaalde gedachte grijpt blijkens rov. 3.3 van dat arrest weer terug op HR 25 februari 2000, NJ 2000, 508 m.nt. HJS (eveneens: rov. 3.3). Zie ook rov. 3.5 van het arrest van 22 december 20006 en de beschouwingen daarover aan het slot van alinea 2 van de noot van Snijders.
8 In dezelfde zin (namelijk: in de zin dat inhoudelijke toetsing (slechts) als middel mag dienen om te beoordelen of de motivering "klinkklare onzin" oplevert) Snijders, Nederlands Arbitragerecht, 2007, p. 270.
9 Zie voor het geven dat fooien gerekend worden tot het voor de loonbelasting in aanmerking te nemen loon bijvoorbeeld .
10 Zie bijvoorbeeld de conclusie van repliek in eerste aanleg, alinea's 8 e.v.
11 Ofschoon het onderhavige dossier maar heel weinig zicht biedt op wat in het conflict tussen AZ en de fiscus over dit onderwerp is aangevoerd en geoordeeld, laat zich raden dat er in dat conflict daarover in overeenkomstige zin moet zijn beslist.
12 Ik denk dat van de kant van AZ met recht wordt aangevoerd dat, nu het hof de desbetreffende producties niet heeft willen toelaten, deze geen onderdeel uitmaken van de gedingstukken. Er bevinden zich intussen, gehecht aan de pleitnota van de kant van AZ in het A-dossier, wel drie stukken die overeenkomen met de beschrijving die zijdens AZ van de producties in kwestie wordt gegeven. Deze drie stukken kan men zeer wel aanmerken als vallend buiten de omschrijving "kort en eenvoudig te doorgronden". (Zij zijn 5, 8 en 16 p. lang, en houden ieder materie in die niet dadelijk voor elke lezer te begrijpen is.)
13 Het tot 1 september 2008 geldende rolreglement van het gerechtshof Amsterdam (de pleidooien in deze zaak vonden bij dat hof, nevenzittingsplaats Arnhem, plaats op 22 november 2007) bepaalt over het hier spelende onderwerp:
"5.2. De partij die bij pleidooi nieuwe stukken in het geding wenst te brengen (anders dan de pleitnota), dient ervoor zorg te dragen dat deze stukken uiterlijk op de vierde werkdag vóór de datum van het pleidooi ter griffie in viervoud alsmede door de wederpartij zijn ontvangen, tenzij de voorzitter een andere termijn bepaalt...etc."
De in het rekestenreglement geformuleerde uitzondering is hier dus niet met zoveel woorden opgenomen of herhaald.
14 Uit het bestreden arrest blijkt in het onderhavige geval dat van de kant van [verweerder] uitdrukkelijk bezwaar is gemaakt tegen het ontijdig inbrengen van (deze) producties.
15 In de praktijk wordt dan bijvoorbeeld vaak aangevoerd dat de producties in kwestie, ofschoon niet tijdig aangekondigd, "toch bij de wederpartij bekend zijn". Ik wil niet onvermeld laten dat dat argument eraan voorbijziet dat het vaak niet zozeer van belang is of iets bij de wederpartij bekend is, als wel of die partij bij de voorbereiding van haar verdediging ermee rekening heeft kunnen houden dat het desbetreffende gegeven aan de orde zou komen. "Voor de vuist weg" moeten reageren is nu eenmaal wezenlijk anders - en beperkt de betrokkene dienovereenkomstig in zijn verweer - dan het na voldoende studie en afweging presenteren van zijn standpunt.
16 Dat blijkt o.a. uit HR 29 november 2002, NJ 2004, 172 m.nt. HJS, rov. 3.5.2.
17 Het gewicht van dat gegeven blijkt onder meer uit HR 16 juni 2006, NJ 2006, 585 m.nt. Spoor, rov. 3.4.3 en HR 17 februari 2006, NJ 2006, 156, rov. 3.3.2.