ECLI:NL:PHR:2010:BK6142
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Koninklijke Marechaussee bij opsporing acquisitiefraude ten behoeve van Nederlandse strijdkrachten
In deze zaak stond centraal de vraag of de opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee bevoegd waren tot opsporing van acquisitiefraude gepleegd tegen het ministerie van Defensie. Het hof had geoordeeld dat de Marechaussee haar eigen politietaak uitoefende ten behoeve van de Nederlandse strijdkrachten, waarbij ook ondersteunende diensten onder het begrip 'strijdkrachten' werden begrepen. De verdediging stelde dat dit oordeel onjuist was en dat de Marechaussee daarom niet bevoegd was.
De Hoge Raad stelde vast dat het begrip 'strijdkrachten' in de Politiewet 1993 niet zo ruim mag worden uitgelegd dat ondersteunende diensten bij Defensie daaronder vallen. De Marechaussee oefende in deze zaak geen eigen politietaak uit, maar werkte slechts samen met politie en belastingdienst. Deze samenwerking was incidenteel en niet van zodanige aard dat een formele afspraak vereist was.
Hoewel de Marechaussee niet zelfstandig bevoegd was, waren de processen-verbaal opgesteld door teams waarin altijd een bevoegd ambtenaar zat, waardoor de bewijsmiddelen als 'andere geschriften' in de zin van art. 344 Sv Pro toelaatbaar zijn. Het middel van cassatie werd verworpen omdat geen vernietigingsgrond werd gevonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de Marechaussee was niet bevoegd tot eigen opsporing maar wel tot samenwerking, en het bewijs blijft toelaatbaar.