ECLI:NL:PHR:2010:BK6150
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gevolgen van terugwerkende kracht van gerechtelijke vaderschapsvaststelling voor erfgenaamschap en rechten derden
In deze zaak staat centraal de vraag of de terugwerkende kracht van artikel 1:207 lid 5 BW Pro inzake de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook gevolgen heeft voor erfgenaamschap en rechten van derden bij nalatenschappen die openvielen vóór de inwerkingtreding van deze wettelijke regeling.
De feiten betreffen een kind dat na het overlijden van zijn vermeende vader gerechtelijk vaderschap liet vaststellen op grond van de nieuwe wettelijke regeling die sinds 1 april 1998 van kracht is. Voorheen was hij niet erkend en werd hij niet als erfgenaam beschouwd. De nalatenschap was aanvankelijk toegevallen aan een neef en diens erfgenamen, die nu worden geconfronteerd met de vordering van het kind.
De Hoge Raad bevestigt dat de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaderschapsvaststelling ertoe leidt dat het kind ook voor de periode vóór de wettelijke inwerkingtreding als erfgenaam wordt beschouwd. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze terugwerkende kracht om discriminatie tussen binnen- en buitenhuwelijk geboren kinderen op te heffen, met inachtneming van bescherming van derden die te goeder trouw rechten hebben verkregen.
De Hoge Raad oordeelt dat de erfgenamen die vóór de gerechtelijke vaststelling als erfgenaam golden, niet als 'derden' in de zin van art. 1:207 lid 5 BW Pro kunnen worden aangemerkt en dus niet beschermd worden tegen het verlies van hun erfrechtelijke positie. Ook wordt bevestigd dat dit niet in strijd is met het EVRM, waaronder art. 8, 14 en het Eerste Protocol. De procedurele klachten worden verworpen en het cassatieberoep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de terugwerkende kracht van art. 1:207 lid 5 BW wordt bevestigd, waardoor het kind alsnog erfgenaam is ondanks eerdere nalatenschapsverdeling.