ECLI:NL:PHR:2010:BK6357
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring van oplichtingszaken en beoordeling strafmotivering
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en het gebruik van valse beleggingsoverzichten in 1995. De Hoge Raad stelt vast dat de verjaringstermijn van zes jaar voor het strafrechtelijk vervolgen van deze feiten is verstreken, omdat sinds 1995 geen daad van vervolging is verricht. Hierdoor is het recht tot strafvordering vervallen en verklaart de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.
Daarnaast wordt het middel dat klaagt over de motivering van de strafoplegging verworpen. Het hof heeft immers expliciet overwogen dat verdachte eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld en ondanks die eerdere veroordeling is doorgegaan met malafide praktijken. Deze motivering voldoet aan de eisen van artikel 359 lid 6 Sv Pro.
Verder is geoordeeld dat de vertraging in de procedure deels aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend, met name het tijdsverloop tussen het verstekarrest en de opname van verdachte in het BETIP-systeem. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting van de strafoplegging.
Ten slotte benadrukt de Hoge Raad dat bij wetswijzigingen omtrent verjaring het nieuwe recht direct van toepassing is, behoudens reeds voltooide verjaring. Dit arrest bevestigt de toepassing van deze rechtsopvatting en de noodzaak tot zorgvuldige procedurele afwikkeling bij langdurige procedures.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.