ECLI:NL:PHR:2010:BK6358
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vertaalplicht en redelijke termijn in WOTS-zitting volgens Wet beëdigde tolken en vertalers
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beslissing van de rechtbank te Roermond die verlof tot tenuitvoerlegging gaf aan een Duitse strafrechtelijke beslissing. De verdediging voerde aan dat Duitse processtukken niet door een beëdigde vertaler waren vertaald, wat in strijd zou zijn met de Wet beëdigde tolken en vertalers (WOTS) en leidde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De rechtbank verwierp dit verweer omdat de verdediging de inhoud van de Duitse stukken begreep en niet eerder om vertaling had verzocht. De Hoge Raad bevestigt dat de WOTS geen verplichting tot vertaling van buitenlandse processtukken inhoudt, maar slechts voorschrijft dat indien vertaling plaatsvindt, dit door beëdigde tolken moet gebeuren. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat het recht op vertaling praktisch en effectief moet zijn, afhankelijk van de zaak.
Daarnaast werd aangevoerd dat het OM niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens schending van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie dat schending van de redelijke termijn niet meer tot niet-ontvankelijkheid leidt. Beide middelen worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen; geen vertaalplicht van Duitse stukken en geen niet-ontvankelijkheid OM wegens termijnoverschrijding.