ECLI:NL:PHR:2010:BK6682

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03638
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhaal gemaakte kosten van bijstand en draagkracht beoordeling

De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem, waarin werd bepaald dat verzoeker de gemaakte kosten van bijstand aan de gemeente moet voldoen.

Verzoeker stelde dat hij geen inkomen had en dat zijn draagkracht nihil was, onderbouwd met een brief van de belastingdienst. Het hof oordeelde echter dat verzoeker onvoldoende gegevens had overgelegd om zijn draagkracht vast te stellen.

Daarnaast stelde verzoeker dat het hof ten onrechte rekening hield met zijn verdiencapaciteit bij de draagkrachtbeoordeling. De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van draagkracht niet alleen naar werkelijke inkomsten gekeken moet worden, maar ook naar de inkomsten die redelijkerwijs kunnen worden verworven.

Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro, omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof blijft gehandhaafd.

Conclusie

09/03638
Mr L. Strikwerda
Parket, 11 dec. 2009
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
Gemeente Apeldoorn
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 9 juni 2009. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] bekrachtigd de beschikking van de rechtbank Zutphen van 11 juli 2006, waarbij op verzoek van thans verweerster in cassatie, hierna: de gemeente, is bepaald dat [verzoeker] wegens de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 6 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2005 aan de gemeente voldoet de totaalsom van Euro 5.207,73.
2. De gemeente heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
3. Het cassatieberoep berust op één middel, dat twee klachten bevat. De klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. De eerste klacht van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.3 - dat [verzoeker] ten aanzien van zijn financiële situatie in het geheel geen gegevens heeft overgelegd op basis waarvan zijn draagkracht kan worden vastgesteld. Volgens de klacht is dit oordeel "onbegrijpelijk en evident onjuist", kort gezegd omdat [verzoeker], die geen andere gegevens heeft kunnen overleggen dan informatie van de belastingdienst, bij het hof heeft aangetoond dat hij geen inkomen heeft en dat zijn draagkracht (dus) nihil is.
5. Met "informatie van de belastingdienst" doelt de klacht kennelijk op de door [verzoeker] bij brief van 23 maart 2009 in het geding gebrachte brief van de belastingdienst d.d. 19 maart 2009, in welke brief (die zich niet bevindt in het door [verzoeker] overgelegde partijdossier, maar wel in het ambtshalve bij het hof opgevraagde griffiedossier) wordt vermeld dat [verzoeker] niet aangifteplichtig was voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekering vanaf 1997 en derhalve geen aangiftebiljetten heeft ingediend. Nu in deze brief niets staat vermeld over de inkomsten van [verzoeker] en het middel niet stelt (en uit de gedingstukken ook niet blijkt) dat [verzoeker] gegevens heeft overgelegd op basis waarvan zijn concrete financiële situatie kan worden vastgesteld, is het oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk. Op juistheid kan dat oordeel, feitelijk als het is, in cassatie niet worden getoetst. De klacht faalt derhalve.
6. De tweede klacht komt erop neer dat het hof ten onrechte de verdiencapaciteit van [verzoeker] heeft betrokken bij de beoordeling van diens draagkracht.
7. De klacht berust kennelijk op de opvatting dat de rechter bij de beoordeling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige alleen rekening mag houden met diens werkelijke inkomsten. Deze opvatting is onjuist. De rechter dient bij de beoordeling van de draagkracht niet alleen te letten op de werkelijke inkomsten van de onderhoudsplichtige, maar ook rekening te houden met de inkomsten die deze zich in redelijkheid kan verwerven. Zie Kluwers Personen- en familierecht, losbl., art. 1:397 BW Pro, aant. 1 onder b (S.F.M. Wortmann). Ook de tweede klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,