ECLI:NL:PHR:2010:BK6684

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03869
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw schuldenaar

Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsanering, maar dit verzoek werd bij vonnis van 30 juni 2009 afgewezen vanwege het oordeel dat verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van de ontstane schulden bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de rechtbank bij arrest van 15 september 2009 heeft bekrachtigd. Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat hij niet te goeder trouw was bij het aangaan van zijn schulden, met verwijzing naar artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet.

De Hoge Raad overweegt dat de goede trouw een gedragsmaatstaf is die alle omstandigheden van het geval omvat, zoals de aard en omvang van de schulden, het tijdstip van ontstaan, de verwijtbaarheid van de schulden en het gedrag van de schuldenaar bij het voldoen van de schulden. Het hof heeft geoordeeld dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was, mede omdat hij onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn stellingen over de belastingschuld en de schuld aan GGN Incasso.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof deze beoordeling begrijpelijk heeft gemotiveerd en dat het cassatieberoep faalt. Het verzoek tot schuldsanering wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot schuldsanering wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden.

Conclusie

09/03869
mr. L. Timmerman
Parket, 11 december 2009
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
Verzoeker tot cassatie
Verkorte conclusie
1.1 Bij vonnis van 30 juni 2009 heeft de rechtbank Amsterdam het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering afgewezen - kort gezegd - omdat naar het oordeel van de rechtbank [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van de schulden van het CJIB niet te goeder trouw is geweest.
1.2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam.
Het hof heeft de zaak ter zitting van 8 september 2009 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 15 september 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
1.4 Het verzoekschrift bevat 1 cassatiemiddel.
Het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] bij het aangaan van zijn schulden niet te goeder trouw heeft gehandeld. [Verzoeker] verwijst naar art. 288 lid 2 sub b Fw Pro(2). [Verzoeker] is van oordeel dat er geen strijd is met de goede trouw als gedragsmaatstaf, waarbij dient te worden aangetekend dat de in dat kader verrichte handelingen zijn verricht in de uitoefening van werkzaamheden in eigen onderneming. Daarnaast heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het vonnis van de rechtbank en de door [verzoeker] daartegen aangevoerde grieven door te oordelen dat de belastingschuld en de schuld aan GGN Incasso zijn aan te merken als schulden niet te goeder trouw. Althans is het hof buiten de rechtsstrijd getreden door mede de belastingschuld en de GGN Incassoschuld in het kamp van schulden niet te goeder trouw te trekken.
1.5 Krachtens art. 288 lid 1 sub b Fw Pro kan het verzoek tot schuldsanering onder andere worden afgewezen indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Zoals het middel aangeeft is de goede trouw een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties om verhaal door schuldeisers te frustreren en dergelijke. De beoordeling van het gedrag van verzoeker aan deze maatstaf draagt een sterk feitelijk karakter en kan in cassatie enkel op begrijpelijkheid worden getoetst.
1.6 In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van de openstaande boetes van het CJIB en de belastingdienst te goeder trouw is geweest. Voor zover het middel klaagt dat het hof de schuld aan GGN Incasso en de belastingschuld bij de beoordeling heeft betrokken faalt het. Zoals het hof voorop stelt in het arrest (rov. 2.3) dient de schuldenaar voldoende aannemelijk te maken dat hij/zij ten aanzien van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling is door [verzoeker] een toelichting gegeven op de ontstaanswijze van de schuld aan GGN Incasso en de belastingdienst. Het hof heeft zich vervolgens uitgelaten over het ontstaan van deze schulden.
1.7 [Verzoeker] heeft ten aanzien van de schuld aan CJIB enkel aangevoerd dat deze schuld tijdens zijn werkzaamheden zijn ontstaan. Ten aanzien van de belastingschuld heeft [verzoeker] gesteld dat hij deze niet meer kon betalen omdat zijn klanten hem niet meer betaalden. Een onderbouwing van deze stellingen ontbreekt. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof tot de slotsom is gekomen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Het middel faalt mitsdien.
2. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 23 september 2009 per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Een ondertekende schriftelijke versie is op 24 september 2009 door de griffie ontvangen.
2 Bedoeld zal zijn art. 288 lid 1 sub b Fw Pro.