ECLI:NL:PHR:2010:BK6910
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van seksueel binnendringen in zaak verkrachting dochter door vader
In deze zaak is verdachte door het gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens meerdere zedendelicten, waaronder verkrachting van zijn minderjarige dochter door middel van seksueel binnendringen zoals bedoeld in art. 242 Sr Pro. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van het slachtoffer en verdachte, waarin handelingen als het met vingers tussen de schaamlippen zitten en likken aan de vagina en schaamlippen werden beschreven.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof een onjuiste uitleg had gegeven aan het begrip "seksueel binnendringen van het lichaam" en dat aanrakingen van de schaamlippen niet als binnendringen konden worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigde de ruime uitleg van dit begrip, zoals eerder in het 'Tongzoenarrest' is vastgesteld, waarbij ook binnendringen tussen de schaamlippen valt. Deze uitleg strookt met de wetsgeschiedenis en de ratio van art. 242 Sr Pro, die de seksuele integriteit van het lichaam beschermt.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor uitspraak in cassatie was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. Het cassatieberoep werd daarom deels gegrond verklaard: de strafoplegging werd vernietigd en verminderd, maar de overige klachten werden verworpen.
De zaak illustreert de ontwikkeling in het Nederlandse strafrecht waarbij het begrip verkrachting breder wordt geïnterpreteerd dan alleen penetratie met de penis, en benadrukt het belang van een ruime bescherming van de seksuele integriteit van het lichaam.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ruime uitleg van seksueel binnendringen en vernietigt het arrest voor wat betreft de strafoplegging wegens termijnoverschrijding.