ECLI:NL:PHR:2010:BK6926

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12203
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 359.2 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens nietigheid proces en terugwijzing in zaak medeplegen schuldheling

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van schuldheling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaar. Namens verdachte zijn twee middelen van cassatie ingediend. Het eerste middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, het tweede middel betoogt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van de verdediging is afgeweken.

De Hoge Raad stelt vast dat het proces-verbaal van de terechtzitting geen weergave bevat van de door de raadsman gevoerde verweren, waardoor in cassatie niet kan worden beoordeeld welke verweren zijn aangevoerd. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak. Daarom kan het bestreden arrest niet in stand blijven.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Andere gronden voor ambtshalve vernietiging zijn niet aangetroffen. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot cassatie omdat de opgelegde straf geheel voorwaardelijk is.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens nietigheid en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 07/12203
Mr. Vellinga
Zitting: 15 december 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplegen van schuldheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. In het eerste middel wordt naar voren gebracht dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM Pro en 14 IVBPR is overschreden, omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
4. De verdachte heeft op 15 mei 2007 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 29 mei 2008 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De in HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.3 bedoelde maximale termijn van acht maanden is verstreken. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve voeg ik daaraan toe dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook in die zin is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM overschreden.
5. Deze punten kunnen echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen.(1)
6. Ook indien de Hoge Raad mij in dat oordeel niet volgt, kan overigens met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan en behoeft het middel niet tot cassatie te leiden, nu aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf is opgelegd.(2)
7. Het tweede middel klaagt dat het Hof niet, onjuist, danwel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdachte is afgeweken en schuldheling bewezen heeft verklaard.
8. Voor zover voor de beoordeling van middel relevant, houdt het proces-verbaal van de zitting van het Hof in:
"De raadsman van de verdachte voert het woord tot verdediging. Hij voert daarbij verweren als weergegeven in het arrest."
9. Het bestreden arrest bevat echter geen weergave van door de raadsman gevoerde verweren.
10. Nu uit de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat namens de raadsman van de verdachte verweren zijn gevoerd, maar deze niet in het proces-verbaal van de terechtzitting of het arrest zijn opgenomen, valt in cassatie niet na te gaan welke verweren zijn gevoerd en kan ik niet aan bespreking van het middel toekomen. Hoewel het middel over dit verzuim niet direct klaagt - doch slechts dat het Hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, zonder overigens aan te duiden welke standpunten of verweren bedoeld zijn - strijdt bedoeld verzuim zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de uitspraak meebrengt.(3)
11. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
12. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.
2 HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2 onder C.
3 HR 13 juni 2006, NJ 2006, 368.