ECLI:NL:PHR:2010:BK8105

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04666
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BopzArt. 2 Wet BopzArt. 8a Wet BopzArt. 19 RvArt. 8 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schending hoor en wederhoor bij voorlopige machtiging Wet Bopz

In deze zaak heeft de officier van justitie een voorlopige machtiging verzocht op grond van de Wet Bopz. De rechtbank behandelde het verzoek in meerdere zittingen, waarbij betrokkene aanvankelijk niet aanwezig was, maar later wel gehoord werd samen met zijn raadsman en behandelend arts. Betrokkene stelde in cassatie dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden, omdat hij en zijn raadsman niet adequaat waren opgeroepen voor de eerste zitting en niet in kennis waren gesteld van verklaringen van betrokken artsen.

De Hoge Raad overwoog dat de gang van zaken op 1 september 2009 werd verklaard door een brief van de raadsman, en dat betrokkene uiteindelijk wel in persoon werd gehoord voorafgaand aan de voorlopige machtiging. De rechtbank had betrokkene en zijn raadsman voldoende gelegenheid gegeven zich uit te laten over de relevante medische verklaringen en de tussenbeschikking. De Hoge Raad concludeerde dat betrokkene niet in zijn verdedigingsmogelijkheden was benadeeld.

Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Er is geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Conclusie

09/04666
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 15 december 2009
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te 's-Gravenhage
1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op 7 augustus 2009 heeft de officier van justitie te 's-Gravenhage een voorwaardelijke machtiging verzocht (art. 14a Wet Bopz). De rechtbank heeft dit verzoek mondeling behandeld op 1 september 2009. Betrokkene en zijn raadsman zijn toen niet verschenen. Op 1 september 2009 heeft de rechtbank [betrokkene 3] en [betrokkene 4], verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis "Rivierduinen", gehoord.
2. Krachtens art. 8a Wet Bopz heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 1 september 2009 de officier van justitie in de gelegenheid gesteld alsnog een andere machtiging te verzoeken. Op 1 oktober 2009 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen (art. 2 Wet Pro Bopz) en subsidiair een voorwaardelijke machtiging. Bij dit verzoek was een nieuwe geneeskundige verklaring gevoegd.
3. Het gewijzigde verzoek is mondeling behandeld ter zitting van 8 oktober 2009, waar wel de raadsman, maar niet betrokkene zelf is verschenen (hij had het ziekenhuis verlaten). Om die reden heeft de rechtbank het verzoek opnieuw behandeld op 27 oktober 2009, ditmaal in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsman, alsmede de behandelend arts [betrokkene 2]. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend.
4. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel klaagt over schending van het beginsel van hoor en wederhoor in twee opzichten: (i) De griffier heeft bij brief van 25 augustus 2009 aan betrokkene en zijn raadsman laten weten dat de geplande zitting op 1 september 2009 in het Paleis van Justitie geen doorgang zou vinden en dat betrokkene op een nader te bepalen datum in het psychiatrisch ziekenhuis zou worden gehoord. Door de zitting op 1 september 2009 (in het Paleis van Justitie) toch te laten doorgaan zonder betrokkene opnieuw op te roepen, heeft de rechtbank betrokkene en zijn raadsman de gelegenheid ontnomen te worden gehoord, aldus de klacht. (ii) Betrokkene is voor of op 27 oktober 2009 niet in kennis gesteld van hetgeen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op 1 september 2009 hebben verklaard. Hij heeft derhalve geen gelegenheid gehad zich daarover uit te laten. Het middel verwijst naar art. 19 Rv Pro in verbinding met art. 8 Wet Pro Bopz en art. 5 en Pro 6 EVRM.
5. De gang van zaken op 1 september 2009 wordt grotendeels verklaard door een brief van de raadsman aan de rechtbank d.d. 25 augustus 2009, waarin hij verzoekt de zitting op 1 september 2009 in het Paleis van Justitie te laten doorgaan en betrokkene op te roepen op de oorspronkelijk bepaalde tijd. Of de rechtbank op deze brief heeft gereageerd, laat zich uit het dossier niet afleiden. Hoe dan ook, ter zitting van 1 september 2009 is slechts een verzoek om een voorwaardelijke machtiging behandeld, dat niet is ingewilligd. Voorafgaand aan de voorlopige machtiging is betrokkene in persoon gehoord, bijgestaan door zijn raadsman. Hij mist derhalve belang bij de eerste klacht.
6. Ook de tweede klacht gaat niet op. Op grond van art. 290 Rv Pro heeft betrokkene recht op een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 1 september 2009. Dat bevindt zich inmiddels bij de stukken. Indien betrokkene of zijn raadsman ter zitting van 27 oktober 2009 nog niet over een afschrift van het proces-verbaal beschikte, wil dat niet zeggen dat de zakelijke samengevatte inhoud van de afgelegde verklaringen hen toen niet bekend was. In de - aan betrokkene bekend gemaakte - tussenbeschikking heeft de rechtbank immers vermeld dat zij [betrokkene 3] en [betrokkene 4] had gehoord. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking "op grond van het verhandelde ter terechtzitting" vastgesteld dat betrokkene zich inmiddels niet meer aan de voorwaarden houdt en zich heeft onttrokken aan zorg. Dat moet de rechtbank dus hebben vernomen van [betrokkene 3] of [betrokkene 4]: de enigen die op 1 september 2009 verschenen waren. Het stemt inderdaad overeen met de verklaring van [betrokkene 4] in het (later opgemaakte) procesverbaal. Over de tussenbeschikking hebben betrokkene en zijn raadsman zich kunnen uitlaten op 27 oktober 2009.
7. Voor zover uit de overgelegde stukken blijkt, hebben betrokkene en zijn raadsman op 27 oktober 2009 niet verzocht om voorlezing van de op 1 september 2009 afgelegde verklaringen. Die verklaringen worden in de bestreden beschikking niet genoemd. Zoals gezegd had de zitting van 1 september 2009 betrekking op het verzoek om een voorwaardelijke machtiging. De motivering van de voorlopige machtiging in de beschikking van 27 oktober 2009 is gebaseerd op de geneeskundige verklaring van 30 september 2009 en op de voorlichting van de behandelend arts [betrokkene 2] ter zitting van 27 oktober 2009. Daarover hebben betrokkene en zijn advocaat zich kunnen uitlaten. De slotsom is dat betrokkene niet in zijn verdedigingsmogelijkheden kan zijn benadeeld. Het middel faalt. Het noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
8. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden