ECLI:NL:PHR:2010:BK8105
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van schending hoor en wederhoor bij voorlopige machtiging Wet Bopz
In deze zaak heeft de officier van justitie een voorlopige machtiging verzocht op grond van de Wet Bopz. De rechtbank behandelde het verzoek in meerdere zittingen, waarbij betrokkene aanvankelijk niet aanwezig was, maar later wel gehoord werd samen met zijn raadsman en behandelend arts. Betrokkene stelde in cassatie dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden, omdat hij en zijn raadsman niet adequaat waren opgeroepen voor de eerste zitting en niet in kennis waren gesteld van verklaringen van betrokken artsen.
De Hoge Raad overwoog dat de gang van zaken op 1 september 2009 werd verklaard door een brief van de raadsman, en dat betrokkene uiteindelijk wel in persoon werd gehoord voorafgaand aan de voorlopige machtiging. De rechtbank had betrokkene en zijn raadsman voldoende gelegenheid gegeven zich uit te laten over de relevante medische verklaringen en de tussenbeschikking. De Hoge Raad concludeerde dat betrokkene niet in zijn verdedigingsmogelijkheden was benadeeld.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Er is geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor.