ECLI:NL:PHR:2010:BK8926
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens niet-toekennen laatste woord verdachte in hoger beroep
In deze zaak stond centraal of de verdachte in hoger beroep het recht had gekregen om het laatste woord te voeren, zoals vereist op grond van artikel 311, vierde lid, Sv. Het gerechtshof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard, maar in het proces-verbaal van de terechtzitting bleek niet dat aan de verdachte het laatste woord was gelaten.
De Hoge Raad overwoog dat het verschil tussen het voeren van het woord ter verdediging en het voeren van het laatste woord essentieel is. Het laatste woord geeft de verdachte de mogelijkheid om het menselijke element in het strafproces te laten doorklinken. Het ontbreken van deze gelegenheid leidt tot nietigheid van het proces.
De Hoge Raad verwierp de gedachte dat deze nietigheid kan worden gerelativeerd, ook niet als de verdachte werd bijgestaan door een raadsman. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij de verdachte wel het laatste woord moet worden gelaten.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd wegens het niet toekennen van het laatste woord aan de verdachte en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.