ECLI:NL:PHR:2010:BK9172
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens niet-voeren hoofdverblijf in gehuurde woning
De zaak betreft een geschil tussen een huurder en verhuurder over het gebruik van een gehuurde woning als hoofdverblijf. De huurder, sinds 1994 huurder van een woning, werd door de verhuurder aangesproken omdat hij niet voortdurend in de woning verbleef, wat in strijd zou zijn met het huurreglement.
De rechtbank stond de huurder toe bewijs te leveren dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning had, maar oordeelde uiteindelijk dat de huurder hierin niet slaagde. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen van de verhuurder alsnog toe, waarbij het hof het vermoeden van niet-voortdurend verblijf als onbestreden beschouwde.
De huurder stelde in cassatie dat het begrip 'hoofdverblijfplaats' in het huurreglement verschillend uitgelegd moest worden, maar de Hoge Raad wees dit middel af als een ongeoorloofd novum. Ook de motiveringsklachten faalden. De Hoge Raad bevestigde dat de ontbinding van de huurovereenkomst terecht was en dat de termijn voor ontruiming nader bepaald moet worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst wegens niet-voeren van hoofdverblijf in de woning blijft in stand.