ECLI:NL:PHR:2010:BK9247

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03932 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking inzake teruggave inbeslaggenomen geldbedrag wegens onvoldoende motivering

De rechtbank Alkmaar wees het klaagschrift van klaagster af waarin zij de teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van €3000,- vorderde. De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat het geld verbeurd zou worden verklaard en dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzette.

Klaagster stelde dat het geld aan haar toebehoorde en niet aan verdachte, mede omdat zij pas na de inbeslagname met verdachte was gehuwd. De rechtbank motiveerde haar oordeel echter onvoldoende en liet onduidelijk of klaagster rechthebbende was. De Procureur-Generaal stelde dat zonder nadere motivering niet kon worden vastgesteld waarom het geld verbeurd zou worden verklaard of onttrokken aan het verkeer.

De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling op basis van het bestaande klaagschrift.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 08/03932 B
Mr. Machielse
Zitting 12 januari 2010
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. De Rechtbank Alkmaar heeft op 22 oktober 2007 het klaagschrift strekkende tot teruggave van een geldbedrag van € 3000,00 ongegrond verklaard.
2. Mr. H.J.G. Heijen, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel voert aan dat klaagster alleen als getuige is gehoord en niet als verdachte en dat het in beslag genomen geld aan haar toebehoort en niet aan verdachte [betrokkene 1].
De rechtbank zou hebben veronachtzaamd dat klaagster eerst met deze verdachte is gehuwd na de doorzoeking van haar appartement waarbij het geld is aangetroffen. Op het moment van de inbeslagname was er dus nog geen sprake van een huwelijksgemeenschap.
3.2. De rechtbank heeft overwogen dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen goederen zal verbeurdverklaren dan wel onttrekken aan het verkeer. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet.
3.3. Het klaagschrift heeft aangevoerd dat het inbeslaggenomen geldbedrag door klaagster zelf in de prostitutie is verdiend. Maar klaagster heeft ook in raadkamer verklaard dat zij in Bulgarije met [betrokkene 1] is gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden. In cassatie wordt weliswaar aangevoerd dat het huwelijk is voltrokken na de inbeslagname, maar dit gegeven kan niet eerst in cassatie worden aangevoerd. Tijdens het onderzoek in raadkamer heeft de officier van justitie verklaard dat in verschillende panden is gezocht en dat het onduidelijk is van wie het geld is.
3.4. De rechtbank heeft zich beperkt tot het opnemen van de criteria waaraan getoetst moet worden ingeval van een beslag op de voet van artikel 94 Sv Pro en heeft niet nader gemotiveerd waarom aan die criteria zou zijn voldaan. Gelet op de inhoud van het klaagschrift en op hetgeen klaagster en haar advocaat bij het onderzoek in raadkamer hebben aangevoerd acht ik de beslissing ontoereikend gemotiveerd.(1) Als klaagster inderdaad rechthebbende is met betrekking tot het geld, hetgeen de rechtbank in het midden heeft gelaten, valt niet in te zien hoe dat geld verbeurd zal kunnen worden verklaard als tegen klaagster geen verdenking bestaat. Waarom het geld onttrokken zal kunnen worden aan het verkeer is zonder nadere motivering evenmin begrijpelijk.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 10 maart 2009, LJN BG9151.