ECLI:NL:PHR:2010:BK9632
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen gebondenheid opvolgende eigenaar aan koopoptie in huurovereenkomst bij eigendomsoverdracht verhuurde zaak
In deze zaak staat centraal of een koopoptie die is opgenomen in een huurovereenkomst ook bindend is voor een opvolgende eigenaar van het verhuurde pand. De zaak betreft een transportonderneming en het bedrijfspand dat in eigendom werd overgedragen met behoud van vruchtgebruik. De huurder had een koopoptie in de huurovereenkomst opgenomen.
Het hof had geoordeeld dat de koopoptie ook tegen de verkrijger van de blote eigendom (de dochter van de oorspronkelijke verhuurder) kon worden ingeroepen, mede op grond van het oude art. 7A:1612 BW. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat koopopties niet zonder meer onder de rechten vallen die overgaan bij eigendomsoverdracht van een verhuurde zaak, tenzij de periodieke huurbetalingen ook een vergoeding voor de uiteindelijke verkrijging in zich bergen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat in dit geval sprake is van een dergelijke vergoeding en dat het hof ten onrechte bijzondere omstandigheden zoals familiebanden heeft betrokken bij de uitleg. Ook is geoordeeld dat de koopoptie niet kan worden ingeroepen tegen een partij die niet als verhuurder is aan te merken volgens art. 7A:1612 BW.
Gezien deze gebreken worden de bestreden tussenarresten vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling. De Hoge Raad benadrukt dat de toepassing van art. 7A:1612 BW niet afhangt van de bedoeling van de oorspronkelijke contractspartijen, maar van de wet zelf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bestreden tussenarresten en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling.