ECLI:NL:PHR:2010:BL0004
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onmogelijkheid nakoming hoofdveroordeling en opheffing dwangsom
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem waarin de vordering van MTN tot opheffing van een opgelegde dwangsom werd afgewezen. MTN werd veroordeeld tot het verstrekken van een nauwkeurige specificatie van werkzaamheden aan [verweerder], maar stelde na betekening van het arrest niet meer over de benodigde specificaties te beschikken.
Het hof oordeelde dat MTN zelf verantwoordelijk is voor het niet bewaren van de stukken en dat dit geen onmogelijkheid in de zin van art. 611d Rv oplevert. De Hoge Raad bevestigt dat onmogelijkheid tot nakoming beoordeeld moet worden aan de hand van feiten en omstandigheden ná de hoofdveroordeling. Een onmogelijkheid die al vóór de veroordeling bestond, kan niet leiden tot opheffing van de dwangsom.
Voorts is het discretionaire bevoegdheid van de rechter om de dwangsom op te heffen, waarbij eigen schuld van de veroordeelde een reden kan zijn om de dwangsom in stand te laten. MTN heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij na de veroordeling al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
Het beroep van MTN wordt verworpen omdat de procedure ex art. 611d Rv niet mag worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen de hoofdveroordeling. Ook het verzoek om toevoeging van stukken uit de hoofdprocedure faalt wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de dwangsom niet wordt opgeheven omdat de onmogelijkheid tot nakoming al vóór de veroordeling bestond.