ECLI:NL:PHR:2010:BL0006

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01632
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 RvArt. 418a RvArt. 2 OnteigeningswetArt. 3 OnteigeningswetArt. 18 Onteigeningswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op schorsing in onteigeningsprocedure wegens eigendomsovergang

Eisers zijn in cassatie gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht waarin vervroegde onteigening van perceelsgedeelten is uitgesproken. Zij beriepen zich op schorsing van het geding op grond van artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv, omdat de betreffende percelen waren verkocht aan Latrusco N.V. De gemeente betwistte deze schorsing en stelde dat deze niet passend is in het onteigeningsgeding.

De Hoge Raad overwoog dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn op onteigeningsgedingen, tenzij de Onteigeningswet daarvan afwijkt. Hoewel geen uitdrukkelijke afwijking bestaat voor artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv, vloeit uit het stelsel en de aard van het onteigeningsgeding voort dat deze bepaling niet toepasselijk is.

De reden hiervoor is dat het onteigeningsgeding gericht is op spoed en eenvoud, waarbij de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar als gedaagde wordt gedagvaard, ongeacht de actuele eigendomssituatie. Derden die zich als eigenaar voordoen kunnen slechts tussenkomen. Het systeem van de Onteigeningswet beoogt vertraging te voorkomen en sluit onderzoek naar betwiste rechten uit.

Daarom is schorsing van het onteigeningsgeding wegens rechtsopvolging onder bijzondere titel niet verenigbaar met de Onteigeningswet. De Hoge Raad verwerpt het beroep op schorsing en verwijst de zaak naar de rol voor voortprocederen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep op schorsing van de onteigeningsprocedure wegens eigendomsovergang en verwijst de zaak naar de rol voor voortprocederen.

Conclusie

09/01632
Mr L. Strikwerda
Zt. 15 jan. 2010
conclusie inzake
1. [Eiser 1]
2. [Eiseres 2]
3. [Eiser 3]
tegen
Gemeente Heerlen
Edelhoogachtbaar College,
1. Thans eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., zijn (tijdig) in cassatie gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009, waarbij op vordering van thans verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, onder meer - kort gezegd - de vervroegde onteigening van enige, in het vonnis nader omschreven perceelsgedeelten is uitgesproken en voorschotten op de schadeloosstellingen zijn bepaald.
2. Nadat de Gemeente van antwoord had gediend en de datum voor schriftelijke toelichting was bepaald, hebben [eiser] c.s. bij "akte uitlaten" zich erop beroepen dat zich de in art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv voorziene reden voor schorsing van het geding voordoet, aangezien de in het bestreden vonnis bedoelde perceelsgedeelten zijn verkocht en geleverd aan Latrusco N.V., gevestigd te Curaçao, hierna: Latrusco, welke vennootschap deze reden van schorsing aan de Gemeente heeft betekend. [Eiser] c.s. stellen zich op het standpunt dat ten gevolge van deze betekening het onderhavige geding ingevolge art. 225 lid 2 jo Pro. art. 418a Rv van rechtswege is geschorst.
3. De gemeente heeft bij antwoordakte het standpunt van [eiser] c.s. bestreden en geconcludeerd dat voor een schorsing als door [eiser] c.s. (Latrusco) verzocht in een onteigeningsprocedure (in elk geval onder de gegeven omstandigheden) geen plaats is, althans dat de schorsingstermijn tot het minimum moet worden beperkt met handhaving van de reeds bepaalde datum voor schriftelijke toelichting.
4. Partijen hebben vervolgens stukken gefourneerd voor arrest in het incident.
5. Ingevolge art. 2 van Pro de Onteigeningswet (Ow) zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij de Ow niet is afgeweken. De afwijking kan blijken uit een uitdrukkelijke voorziening in de Ow, maar ook voortvloeien uit het stelsel der wet of uit de aard van het onteigeningsgeding. Vgl. HR 13 november 1946, NJ 1947, 29; HR 24 december 1969, NJ 1971, 75 nt. W.Bl.; HR 2 januari 1974, NJ 1974, 128 nt. MB. Zie voorts W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, 1984, blz. 103-105; J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, 3e dr. 2003, blz. 41.
6. Ten aanzien van de door [eiser] c.s. ingeroepen bepaling van art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv komt in de Ow geen afwijkende voorziening voor. Niettemin moet naar mijn oordeel worden aangenomen dat uit het stelsel der wet en ook uit de aard van het onteigeningsgeding voortvloeit dat die bepaling niet toepasselijk is in het onteigeningsgeding. Ik licht dit als volgt toe.
7. In het algemeen strookt het toelaten van incidenten niet met het geheel eigen, op spoed en eenvoud gerichte karakter van het onteigeningsgeding. Vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3, sub e. Daarmee is echter nog niet gezegd dat schorsing van het onteigeningsgeding op één van de in art. 225 lid 1 Rv Pro bedoelde gronden steeds onverenigbaar is met het stelsel van de Ow.
8. Mede in het licht van de ratio van de regeling van art. 20 Ow Pro moet worden aangenomen dat bijvoorbeeld schorsing van het onteigeningsgeding in geval van overlijden van de gedaagde kan plaatsvinden. Vgl. HR 14 maart 1973, NJ 1973, 481 nt. WPB; zie ook Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §21, en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent onder 2.15 voor HR 29 april 2005, NJ 2005, 446.
9. Schorsing van het onteigeningsgeding op de voet van art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv bij rechtsopvolging onder bijzondere titel is m.i. echter niet goed verenigbaar met de regeling van art. 3 en Pro 18 Ow.
10. Op grond van art. 18 lid 1 Ow Pro moet de onteigenende partij immers de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar dagvaarden, desnoods tegen de actuele werkelijkheid met betrekking tot de eigendom in. Vgl. Wijting, a.w., blz. 108. Voor degene die, anders dan in de onteigeningstitel is aangegeven, beweert eigenaar te zijn, bestaat slechts de mogelijkheid van tussenkomst. In verband daarmee verplicht art. 18 lid 5 Ow Pro de onteigenende partij om de dagvaarding te betekenen dan wel een afschrift van de dagvaarding bij aangetekende brief toe te zenden aan de haar bekende, in art. 3 lid 2 Ow Pro bedoelde derde belanghebbenden, waaronder degene die beweert eigenaar te zijn. De derden kunnen, trouwens ook indien zij niet op de voet van art. 18 lid 5 Ow Pro in kennis zijn gesteld van de dagvaarding, krachtens het bepaalde in art. 3 lid 2 Ow Pro aan de rechter verzoeken in het onteigeningsgeding tussen te komen. Vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3. Zie ook HR 20 februari 2009, NJ 2009, 289 nt. P.C.E. van Wijmen.
11. Wanneer discussies ontstaan over de hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende, voorziet art. 3 lid 3 Ow Pro in de mogelijkheid van consignatie van de schadeloosstelling. De bedoeling van deze bepaling is, om ter voorkoming van vertraging, in het onteigeningsgeding elk onderzoek naar het bestaan van de betwiste rechten uit te sluiten. Vgl. HR 28 augustus 1934, NJ 1934, 1689 nt. EMM. Zie voorts Den Drijver-van Rijckevorsel & Van Engen, a.w., blz. 44.
12. Is tussenkomst op de voet van art. 3 lid 2 Ow Pro achterwege gebleven, dan wordt de schadeloosstelling uitbetaald aan de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar die dan moet doorbetalen. Vgl. HR 5 december 1990, NJ 1991, 352 nt. MB en HR 31 januari 1996, NJ 1996, 615 nt. MB. Zie voorts Den Drijver-van Rijckevorsel & Van Engen, a.w., blz. 44.
13. Uit dit samenstel van regelingen van art. 3 en Pro 18 Ow blijkt dat volgens de strekking van de Ow de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar gedaagde is en blijft in het onteigeningsgeding, terwijl de (beweerd) opvolgend eigenaar slechts kan interveniren. Met dit op de bevordering van de snelheid van de procedure gerichte systeem strookt niet dat de door [eiser] c.s. ingeroepen schorsingsbepaling van art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv in het onteigeningsgeding kan worden toegepast.
De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep van [eiser] c.s. op schorsing van het geding verwerpt en de zaak verwijst naar de rol voor voortprocederen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,