ECLI:NL:PHR:2010:BL0006
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep op schorsing in onteigeningsprocedure wegens eigendomsovergang
Eisers zijn in cassatie gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht waarin vervroegde onteigening van perceelsgedeelten is uitgesproken. Zij beriepen zich op schorsing van het geding op grond van artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv, omdat de betreffende percelen waren verkocht aan Latrusco N.V. De gemeente betwistte deze schorsing en stelde dat deze niet passend is in het onteigeningsgeding.
De Hoge Raad overwoog dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn op onteigeningsgedingen, tenzij de Onteigeningswet daarvan afwijkt. Hoewel geen uitdrukkelijke afwijking bestaat voor artikel 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv, vloeit uit het stelsel en de aard van het onteigeningsgeding voort dat deze bepaling niet toepasselijk is.
De reden hiervoor is dat het onteigeningsgeding gericht is op spoed en eenvoud, waarbij de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar als gedaagde wordt gedagvaard, ongeacht de actuele eigendomssituatie. Derden die zich als eigenaar voordoen kunnen slechts tussenkomen. Het systeem van de Onteigeningswet beoogt vertraging te voorkomen en sluit onderzoek naar betwiste rechten uit.
Daarom is schorsing van het onteigeningsgeding wegens rechtsopvolging onder bijzondere titel niet verenigbaar met de Onteigeningswet. De Hoge Raad verwerpt het beroep op schorsing en verwijst de zaak naar de rol voor voortprocederen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep op schorsing van de onteigeningsprocedure wegens eigendomsovergang en verwijst de zaak naar de rol voor voortprocederen.