ECLI:NL:PHR:2010:BL0572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03173 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 445 SvArt. 552a SvArt. 552d SvArt. 552p SvArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in cassatieberoep wegens ontbreken klaagschrift

In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van een verzoeker in een cassatieberoep tegen een beschikking tot verlenen van verlof op grond van art. 552p lid 2 Sv. Volgens art. 445 Sv Pro is cassatieberoep tegen beschikkingen slechts mogelijk in de gevallen die het wetboek bepaalt. Omdat de wet geen bepaling bevat die cassatie openstelt voor anderen dan het Openbaar Ministerie en de klager, kan verzoeker die geen klaagschrift heeft ingediend niet als klager worden aangemerkt en is hij niet ontvankelijk.

De Procureur-Generaal heeft in een aanvullende conclusie gesteld dat verzoeker niet ontvankelijk is op grond van art. 552d lid 2 Sv. Dit artikel bepaalt dat beroep in cassatie kan worden ingesteld door de klager binnen veertien dagen na betekening van de beschikking. Uit het proces-verbaal blijkt dat alleen namens medeverdachte een klaagschrift is ingediend, niet door of namens verzoeker.

Daarom moet worden aangenomen dat verzoeker geen klaagschrift heeft ingediend en kan hij niet worden ontvangen in het cassatieberoep. Dit oordeel volgt ook uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 19 december 2006, LJN AZ1670). De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van een klaagschrift.

Conclusie

Nr. S 08/03173 B
Mr Jörg
Zitting 1 december 2009
Aanvullende conclusie inzake:
[Verzoeker = klager]
1. In vervolg op mijn conclusie van 1 september 2009 concludeer ik aanvullend naar aanleiding van de tussenbeschikking van Uw Raad van 13 oktober 2009. Destijds heb ik de pen te vroeg neergelegd, in de overtuiging dat verdere bestudering van het dossier geen zin had.
2. In deze aanvullende conclusie concludeer ik wederom, zij het op andere grond, tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker: nu op grond van art. 552d, tweede lid, Sv.
3. Art. 552p, vierde lid, Sv verklaart het bepaalde in artt. 552a en 552d Sv van overeenkomstige toepassing op de beschikking van de rechtbank als bedoeld in het tweede lid van art. 552p Sv. Art. 552a Sv opent de mogelijkheid voor belanghebbenden om zich schriftelijk te beklagen onder meer over inbeslagneming. Voorts bepaalt het tweede lid van art. 552d Sv dat beroep in cassatie kan worden ingesteld door de klager, binnen veertien dagen na betekening van de beschikking.
4. Uit het proces-verbaal van de raadkamer van de rechtbank op 11 april 2008 blijkt dat de raadsman slechts namens medeverdachte [medeverdachte] een klaagschrift heeft ingediend. Niet blijkt dat ook door of namens verzoeker een klaagschrift is ingediend. Een dergelijk klaagschrift heb ik bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv ingezonden stukken nergens aangetroffen. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat door of namens verzoeker geen klaagschrift is ingediend. Dit betekent dat verzoeker op grond van art. 552d, tweede lid, Sv niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep (vlg. HR 19 december 2006, LJN AZ1670, NJ 2007, 26).
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G