ECLI:NL:PHR:2010:BL0572
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in cassatieberoep wegens ontbreken klaagschrift
In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van een verzoeker in een cassatieberoep tegen een beschikking tot verlenen van verlof op grond van art. 552p lid 2 Sv. Volgens art. 445 Sv Pro is cassatieberoep tegen beschikkingen slechts mogelijk in de gevallen die het wetboek bepaalt. Omdat de wet geen bepaling bevat die cassatie openstelt voor anderen dan het Openbaar Ministerie en de klager, kan verzoeker die geen klaagschrift heeft ingediend niet als klager worden aangemerkt en is hij niet ontvankelijk.
De Procureur-Generaal heeft in een aanvullende conclusie gesteld dat verzoeker niet ontvankelijk is op grond van art. 552d lid 2 Sv. Dit artikel bepaalt dat beroep in cassatie kan worden ingesteld door de klager binnen veertien dagen na betekening van de beschikking. Uit het proces-verbaal blijkt dat alleen namens medeverdachte een klaagschrift is ingediend, niet door of namens verzoeker.
Daarom moet worden aangenomen dat verzoeker geen klaagschrift heeft ingediend en kan hij niet worden ontvangen in het cassatieberoep. Dit oordeel volgt ook uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 19 december 2006, LJN AZ1670). De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van een klaagschrift.