ECLI:NL:PHR:2010:BL0589

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04060
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens verstrijken geldigheid ondertoezichtstelling minderjarige

In deze zaak betreft het een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige jongen, die sinds 31 december 2001 onder toezicht staat van het Bureau Jeugdzorg. De ouders zijn gescheiden en de moeder heeft sinds 2004 het eenhoofdig gezag. De rechtbank 's-Hertogenbosch verlengde bij beschikking van 22 december 2008 de ondertoezichtstelling met ingang van 30 december 2008 voor de duur van één jaar, waarbij de vader niet als belanghebbende werd aangemerkt.

De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, stellende dat hij ten onrechte niet als belanghebbende was erkend en dat de ondertoezichtstelling onterecht voor een jaar was verlengd. Hij verzocht vernietiging van de beschikking en erkenning als belanghebbende met de bijbehorende rechten en plichten. Het hof verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep omdat hij niet als belanghebbende kon worden aangemerkt.

De vader kwam tijdig in cassatie bij de Hoge Raad, terwijl het Bureau Jeugdzorg geen verweerschrift indiende. De geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling was echter op 30 december 2009 verstreken. Hierdoor had de vader geen belang meer bij zijn cassatieberoep, wat leidde tot de conclusie dat hij niet-ontvankelijk moest worden verklaard in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het verstrijken van de geldigheid van de ondertoezichtstelling.

Conclusie

09/04060
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Parket, 25 januari 2010
CONCLUSIE inzake:
[De vader],
verzoeker tot cassatie,
adv. mr. J. Groen,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
1. Het gaat in deze zaak om een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de zoon], geboren op [geboortedatum] 1992 (hierna: [de zoon]), zoon van verzoeker tot cassatie, hierna: de vader. De ouders van [de zoon] zijn gescheiden. [De zoon] staat sinds 31 december 2001 onder toezicht van verweerster in cassatie, hierna: het Bureau Jeugdzorg. De moeder heeft sedert 2004 het eenhoofdig gezag.
2. Bij beschikking van 22 december 2008 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch op verzoek van het Bureau Jeugdzorg de termijn van ondertoezichtstelling van [de zoon] met ingang van 30 december 2008 voor de duur van één jaar verlengd. De rechtbank heeft de vader in deze beschikking niet als belanghebbende aangemerkt.
3. De vader is van deze beschikking is in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De grieven strekken tot betoog dat de rechtbank ten onrechte de vader niet als belanghebbende heeft aangemerkt, en dat de ondertoezichtstelling ten onrechte voor de duur van een jaar is verlengd. De vader heeft verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en alsnog te oordelen dat de vader als belanghebbende dient te worden aangemerkt met alle bijbehorende rechten en plichten.
4. Bij beschikking van 8 juli 2009 heeft het hof, na te hebben overwogen dat het de vader niet zal aanmerken als belanghebbende zoals bedoeld in art. 798 Rv Pro, de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
5. De vader is van deze beschikking tijdig in cassatie gekomen. Het Bureau Jeugdzorg heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
6. De geldigheidsduur van de verlenging van de ondertoezichtstelling is op 30 december 2009 verstreken. Om deze reden heeft de vader geen belang meer bij zijn cassatieberoep, zodat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G