ECLI:NL:PHR:2010:BL0651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid DNA-afname ondanks vormverzuim en verlaagt straf
De zaak betreft een verdachte die door het Hof te 's-Gravenhage is veroordeeld voor meerdere diefstallen en pogingen daartoe, waarbij hij zich toegang verschafte door braak, verbreking en inklimming. Het Hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden op met een proeftijd van twee jaar.
De verdediging voerde onder meer aan dat de afname van DNA-materiaal in strijd met artikel 151b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) had plaatsgevonden, omdat verdachte niet voorafgaand aan het bevel door de officier van justitie (OvJ) was gehoord, noch bijgestaan door een raadsman. Het Hof constateerde dit vormverzuim, maar oordeelde dat geen rechtens te respecteren belang van verdachte was geschaad, mede omdat verdachte zich bereid had verklaard vrijwillig mee te werken en er ernstige bezwaren tegen hem bestonden ten tijde van het bevel.
De Hoge Raad bevestigt dat het vormverzuim niet leidt tot bewijsuitsluiting, omdat het belang van verdachte niet is geschonden. Wel stelt de Hoge Raad ambtshalve vast dat de opgelegde straf van achttien maanden voorwaardelijke gevangenisstraf in strijd is met het oude artikel 14a Sr en verlaagt deze tot twaalf maanden.
De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen van de verdediging, onderkent het belang van het horen door de OvJ zelf en niet door een politieambtenaar, maar acht het niet horen niet voldoende voor vernietiging. De zaak wordt daarmee definitief afgedaan met de strafverlaging.
Uitkomst: De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt ambtshalve verlaagd van achttien naar twaalf maanden, zonder bewijsuitsluiting wegens vormverzuim bij DNA-afname.