ECLI:NL:PHR:2010:BL0662

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03822 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Drank- en HorecawetArt. 45 Drank- en HorecawetArt. 51 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging rechtspersoon wegens overtreding Drank- en Horecawet

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin een rechtspersoon is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overtreding van artikel 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. De tenlastelegging betrof het verkopen van pinda's en Franse kaasjes bij rum, hetgeen als een overtreding werd beschouwd.

Het cassatieberoep omvatte drie middelen: het eerste middel klaagde dat het hof bewijs had gebruikt dat niet ter zitting was besproken; het tweede middel betwistte de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie omdat de wet destijds geen strafrechtelijke vervolging van rechtspersonen voorzag; het derde middel betrof een kwalificatieverweer over de aard van de bedrijfsactiviteiten.

De Hoge Raad oordeelde dat het tweede middel van belang was en verwierp het omdat de wet niet uitsluit dat een rechtspersoon strafbare feiten kan plegen, maar dat bestuurders strafrechtelijk aansprakelijk zijn. De overige middelen werden verworpen wegens gebrek aan belang. De Hoge Raad bevestigde het ontslag van rechtsvervolging en wees het cassatieberoep af.

Uitkomst: Verzoekster is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overtreding van de Drank- en Horecawet.

Conclusie

Nr. 08/03822 E
Mr Jörg
Zitting 19 januari 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoekster]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 20 juli 2007 ten aanzien van het aan haar tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit (overtreding van art 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, namelijk pinda's en Franse kaasjes verkopen bij de rum) ontslagen van alle rechtsvervolging.
2. Namens verzoekster hebben mrs. J. Kuijper en M. Mulder, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt in de kern dat het hof voor de bewezenverklaring acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgehouden bij de behandeling ter terechtzitting. Het tweede middel klaagt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk is verklaard: de wet voorzag ten tijde het plegen van het strafbare feit niet in de mogelijkheid om een rechtspersoon (i.c. verzoekster) strafrechtelijk te vervolgen. Het derde middel, gepresenteerd als een bewijsklacht, lees ik als een kwalificatieverweer, nl.: de ten laste van verzoekster bewezenverklaarde gedragingen leveren niet op "het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten dan die welke tot het slijtersbedrijf behoren" als bedoeld in art 14, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.
4. Alleen het tweede middel acht ik van belang voor bespreking: was verzoekster al dan niet vervolgbaar? Of was zij slechts niet strafbaar? Als ik het slechte (politie)Nederlands zou volgen - dat ook zijn weg in sommige cassatieschrifturen heeft gevonden - zou ik schrijven dat op de "tijddelict" artikel 45 van Pro de Drank- en Horecawet bepaalde dat voor de naleving van de wettelijke bepalingen de bestuurders van een rechtspersoon (of de leidinggevenden in allerlei vorm) aansprakelijk zijn. Daaruit valt niet op te maken dat de rechtspersoon geen strafbare feiten zou kunnen begaan, zoals art. 51 Sr Pro bepaalt. Dat niet deze, maar de bestuurder daarvan de strafrechtelijke consequenties moet dragen is heel wat anders.
5. Dit middel faalt dus.
6. Ten aanzien van de overige middelen heb ik niet kunnen ontwaren wat voor rechtens te respecteren belang verzoekster heeft bij het voorgestelde. De maatschappelijke betekenis van een ontslag van rechtsvervolging is voor een rechtspersoon niet anders dan die van een vrijspraak. Dat het hof een kansloze zaak met een mogelijk te korte bocht in de prullenbak heeft geworpen is misschien jammer, maar vergt toch niet dat de Hoge Raad, als ware hij jurylid bij een schoonheidswedstrijd, de zaak terugwijst om hetzelfde hof te dwingen de appèlprocedure volledig aan te kleden, waarna in ieder geval nog eens hetzelfde resultaat zal worden bereikt (niet in de prijzen vallen).(1) Mijns inziens mocht van het cassatiemiddel worden gevergd dat het uitdrukkelijk toelicht waarin concreet het belang van vernietiging voor verzoekster is gelegen.(2) Ik heb mij in recente conclusies wel eens verbaasd over het vervolgingsbeleid van het OM. Eenzelfde verbazing treft mij bij dit cassatieberoep.
7. De middelen 1 en 3 falen bij gebrek aan belang.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Cf. HR 18 februari 1997, LJN ZD0652, NJ 1997, 411: uitgesproken was een (onherstelbare) niet-ontvankelijkheid OM; het cassatiemiddel stuurde aan op een vrijspraak na een wèl inhoudelijke behandeling.
2 Zie W.A.M. van Schendel, 'Cassatie in strafzaken (Nederlands recht)', in: A. de Moor-van Vugt, De werkwijze van de hoogste rechtscolleges, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 2007, p. 131.