ECLI:NL:PHR:2010:BL1125

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03617
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 FwArt. 7:632 BWArt. 6:135 BWArt. 475a RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid faillissementsrecht en beperkte verrekening loonvordering met tegenvordering

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over twee hoofdpunten in het faillissementsrecht. Ten eerste werd geoordeeld dat de appelrechter niet ambtshalve hoeft te toetsen of de rechtbank in eerste aanleg bevoegd was op grond van artikel 2 lid 1 van Pro de Faillissementswet. Dit betekent dat de relatieve bevoegdheid wordt bepaald door de woonplaats van de schuldenaar op het moment van indiening van het verzoekschrift, en dat het hof terecht heeft aangenomen dat de rechtbank Arnhem bevoegd was.

Ten tweede heeft de Hoge Raad bevestigd dat de verrekening van een loonvordering met een tegenvordering beperkt is tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. Dit houdt in dat een werknemer zijn loonvordering niet volledig kan verrekenen met een tegenvordering, ook niet wanneer deze tegenvordering betrekking heeft op huur van werktuigen of machines die aan de werknemer zijn verhuurd, zoals geregeld in artikel 7:632 BW Pro.

De Hoge Raad verwierp de middelen van de verzoeker omdat de stellingen onvoldoende waren onderbouwd en de toepasselijke wettelijke bepalingen duidelijk zijn. Het cassatieberoep werd daarom verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering, wat een verkorte procedure mogelijk maakt.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de juiste vaststelling van bevoegdheid in faillissementszaken en bevestigt de bescherming van het loon van werknemers tegen volledige verrekening met tegenvorderingen binnen de wettelijke grenzen.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de rechtbank Arnhem werd bevestigd als bevoegd, met een beperkte verrekening van loonvorderingen tot boven de beslagvrije voet.

Conclusie

09/03617
Mr L. Strikwerda
Zt. 22 jan. 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 bekrachtigd. Dit vonnis betreft de afwijzing door de rechtbank van het door [verzoeker] ingestelde verzet tegen het vonnis van de rechtbank van 7 juli 2009, waarbij [verzoeker] op verzoek van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], in staat van faillissement is verklaard.
2. [Verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het door [verzoeker] ingestelde cassatieberoep en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
3. Het cassatieberoep berust op twee middelen. De middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Middel I berust op de stelling dat voor het hof kenbaar was dat [verzoeker] woonachtig is te [woonplaats] en "derhalve onder de rechtbank 's-Hertogenbosch valt". Daarom zou rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zijn dat het hof niet (ambtshalve) de beslissing van de rechtbank Arnhem inzake haar bevoegdheid, heeft gecorrigeerd.
5. Het middel faalt. Ingevolge de hoofdregel van art. 2 lid 1 Fw Pro wordt de (relatieve) bevoegdheid van de rechtbank bepaald door de woonplaats van de schuldenaar. Beslissend is de woonplaats van de schuldenaar ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift. Vgl. B. Wessels, Insolventierecht, Deel I, Faillietverklaring, 2e dr. 2009, par. 1367, met rechtspraakgegevens. Het hof heeft kennelijk en geenszins onbegrijpelijk geoordeeld dat de enkele door [verzoeker] in hoger beroep betrokken stelling dat hij "woonachtig is te [woonplaats]", welke stelling blijkens de gedingstukken niet vergezeld ging van de stelling dat dit ook reeds het geval was ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift, geen betwisting gelezen van de vaststelling door de rechtbank - in de aanhef van het vonnis van 4 augustus 2009 - dat [verzoeker] voorheen te [plaats] en thans te [woonplaats] woont. Bij deze stand van zaken is het hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat de rechtbank op de voet van art. 2 lid 1 Fw Pro bevoegd was en was het hof niet gehouden (ambtshalve) de beslissing van de rechtbank inzake haar bevoegdheid te corrigeren.
6. Middel II bestrijdt als onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof - in r.o. 3.4 - dat [verzoeker] zijn pretense vordering op [verweerder] op grond van de bepalingen in art. 7:632 BW Pro niet, althans niet volledig, mag verrekenen met de loonvordering van [verweerder] op [verzoeker]. Volgens het middel heeft het hof miskend dat art. 7:632 sub e BW Pro volledige verrekening toelaat met betrekking tot de huurprijs van (onder meer) werktuigen, machines en gereedschappen, door de werknemer in eigen bedrijf gebruikt, en die bij schriftelijke overeenkomst door de werkgever aan de werknemer zijn verhuurd.
7. Ook dit middel kan geen doel treffen. Het miskent dat verrekening van de loonvordering van [verweerder] met de door [verzoeker] gepretenteerde tegenvordering, al aangenomen dat deze tegenvordering is aan te merken als een vordering die voldoet aan de in art. 7:632 onder Pro e BW gestelde eisen, is beperkt tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. Zie art. 6:135, aanhef en onder a, BW en art. 7:632 lid 2 BW Pro jo. art. 475a, aanhef en onder a, Rv. Vgl. Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, bew. door W.H.A.C.M. Bouwens en R.A.A. Duk, 22e dr. 2008, blz. 143. Het vorderingsrecht van [verweerder] kan, ook indien wordt aangenomen dat de tegenvordering van [verzoeker] op [verweerder] aangemerkt kan worden als een vordering als bedoeld in art. 7:632 onder Pro e BW, derhalve slechts gedeeltelijk tenietgaan door verrekening. Het middel loopt daarom reeds vast op gebrek aan belang.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,