ECLI:NL:PHR:2010:BL1485
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens ontbreken beslissing over overschrijding redelijke termijn in strafzaak mishandeling
In deze strafzaak is verzoeker door het hof Amsterdam veroordeeld wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel. De verdediging voerde subsidiair aan dat de straf gematigd moest worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn, een verweer waarop het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist in het arrest.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof op grond van artikel 358, derde lid, juncto artikel 359, tweede lid, Sv verplicht was om een met redenen omklede beslissing te geven op dit verweer. Het hof heeft dit nagelaten, wat onbegrijpelijk is omdat het verweer duidelijk en uitdrukkelijk was voorgedragen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug aan het hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep, met inachtneming van het verweer over de redelijke termijn.
De zaak betreft een overschrijding van ruim vier jaar tussen het vonnis van de politierechter en het arrest van het hof, wat aanzienlijk langer is dan de door de Hoge Raad gehanteerde termijn van één jaar. Dit rechtvaardigt een matiging van de straf. De Hoge Raad doet zelf geen inhoudelijke uitspraak over de strafmaat maar laat dit aan het hof over.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een beslissing over het verweer van overschrijding van de redelijke termijn en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.