ECLI:NL:PHR:2010:BL1724

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01823
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 452.2 SvArt. VI.3 Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge RaadArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatie wegens ontbreken volmacht en inhoudelijke afwijzing middelen

De verdachte werd door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf wegens poging tot zware mishandeling, mishandeling, bedreiging en vernieling. Daarnaast werd een mes onttrokken aan het verkeer.

In cassatie werd namens verdachte een schriftuur ingediend met drie middelen. Deze schriftuur voldeed echter niet aan de vereisten van art. 452 Sv Pro, omdat de raadsman niet had verklaard dat hij door verdachte specifiek was gemachtigd. Ondanks een verzoek om dit te herstellen, werd hieraan geen gehoor gegeven, waardoor verdachte niet in cassatie kon worden ontvangen.

Inhoudelijk werden de middelen besproken. Het eerste middel betrof de opzettelijkheid van het steken met een mes, maar bevatte geen cassatieklacht. Het tweede middel betrof het beroep op noodweer, dat eveneens niet als cassatiemiddel kon worden aangemerkt. Het derde middel richtte zich op de strafmotivering en de zwaarte van de opgelegde straf, maar faalde omdat de straf was gebaseerd op alle bewezenverklaarde feiten en omstandigheden, waaronder de ernst van het letsel en de schok voor de rechtsorde.

De conclusie luidde dat verdachte niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep en dat de middelen inhoudelijk falen. Er werden geen ambtshalve gronden gevonden om het arrest van het hof te vernietigen.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken volmacht en middelen inhoudelijk verworpen.

Conclusie

Nr. 09/01823
Mr Jörg
Zitting 26 januari 2010
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 17 maart 2009 wegens - kort gezegd - poging tot zware mishandeling (feit 1), mishandeling (feiten 2 en 3), bedreiging (feit 4) en vernieling (feit 5) veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een inbeslaggenomen mes, en heeft het beslissingen genomen ten aanzien de andere inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voorafgaand het volgende. De door de raadsman ingediende schriftuur voldoet niet aan de eisen van art. 452 Sv Pro, nu de raadsman niet heeft verklaard door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd om namens hem een schriftuur in te dienen. Aan hem is - zoals punt VI, onder 3, van het procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad bepaalt - bij brief van 15 januari 2010 de gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen. Aan dit verzoek heeft de raadsman echter geen gehoor gegeven. Gelet hierop ben ik dan ook van oordeel dat verzoeker niet moet worden ontvangen in zijn cassatieberoep. Ingeval Uw Raad anders van oordeel is, vervolg ik met een inhoudelijke bespreking van de middelen.
4. Het eerste middel keert zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit, nl. poging tot zware mishandeling van [slachtoffer], door [slachtoffer] opzettelijk met een mes in het been te steken.
5. Het gaat de steller van het middel met name om 's hofs gevolgtrekking dat er sprake was van opzettelijk steken door verzoeker. In de toelichting op het middel wordt dan ook een andere lezing voorgesteld van de door het hof vastgestelde feiten, maar cassabele klachten heb ik niet kunnen ontwaren.
6. Het tweede middel, dat klaagt over 's hofs verwerping van het beroep op noodweer, kan, langs dezelfde lijn als bij middel één door mij is uiteengezet, evenmin worden gezien als een middel van cassatie in de zin der wet.
7. Het derde middel komt op tegen 's hofs motivering van de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf.
8. Volgens de steller van het middel kan deze straf niet worden gedragen door de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden; in het bijzonder de ernst van het letsel dat door het onder 1 bewezenverklaarde aan het slachtoffer is toegebracht, en de omstandigheid dat het een delict betreft waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.
9. Allereerst lijkt de steller van het middel te miskennen dat de gevangenisstraf van twaalf maanden niet is opgelegd ter zake van één feit, nl. het onder 1 bewezenverklaarde, maar ter zake van de vijf ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten. Ook lijkt de steller van het middel te miskennen dat de door hem aangehaalde omstandigheden niet de enige omstandigheden zijn die het hof in aanmerking heeft genomen.
10. Van belang is dat de door het hof opgelegde straf gedragen wordt door de in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. Dit is mijns inziens hier ook het geval. Voor zover de steller van het middel wil betogen dat het hof de onder 7 genoemde omstandigheden niet bij de strafmotivering had mogen betrekken wil ik nog het volgende opmerken. Het behoeft geen nadere motivering dat zware mishandeling (dan wel een poging daartoe)- een geweldadig delict - de rechtsorde ernstig schokt. Zulks blijkt al uit de ernst van dit feit (een misdrijf) en de straf waarmee het is bedreigd (ten hoogste acht jaren gevangenisstraf, minus éénderde). Door te hekelen dat de omvang en de duur van het letsel en eventuele blijvende schade nergens uit het dossier blijkt, miskent de steller van het middel dat hier geen voltooide zware mishandeling is bewezenverklaard, maar een poging daartoe. Waarom de ernst van de aan [slachtoffer] toegebrachte letsel - een messteek in het been waarvan de steller van het middel zelf erkent dat [slachtoffer] ernstig bloedverlies heeft geleden, in shocktoestand is geraakt en ziekenhuisbehandeling nodig had - niet bij de strafmotivering betrokken hadden mogen worden is mij dan ook niet duidelijk.
11. Het middel faalt.
12. Middel 3 faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G