ECLI:NL:PHR:2010:BL2241

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04700
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging en afwijzing schuldsaneringsregeling wegens toerekenbare tekortkoming en termijnoverschrijding

Bij vonnis van 17 juni 2004 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de schuldsaneringsregeling van verzoekster definitief beëindigd vanwege toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van verplichtingen. Verzoekster was opgeroepen voor de zitting maar verscheen niet.

In 2009 diende verzoekster opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in, maar dit werd afgewezen omdat minder dan tien jaar was verstreken sinds de eerdere toepassing en geen uitzonderingen van toepassing waren. Het gerechtshof bekrachtigde deze afwijzing bij arrest van 19 november 2009.

Verzoekster stelde cassatie in tegen dit arrest, met klachten over de juiste oproeping en de termijn voor hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de mededeling van behoorlijke oproeping juist was en dat het verzuim om binnen acht dagen na kennisname hoger beroep in te stellen voor haar rekening en risico blijft. Het cassatieberoep werd verworpen.

Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van termijnen bij hoger beroep en de gevolgen van toerekenbare tekortkomingen binnen de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest dat de schuldsaneringsregeling beëindigt en het nieuwe verzoek afwijst, blijft in stand.

Conclusie

Zaaknr. 09/04700
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 29 januari 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
Deze schuldsaneringszaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Bij vonnis van 17 juni 2004 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling van verzoekster tot cassatie, [verzoekster], op verzoek van de bewindvoerder beëindigd op de grond dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. In dit vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster], hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet is verschenen voor de behandeling ter zitting van 17 juni 2004.
1.2 [Verzoekster] heeft op 13 februari 2009 opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend. Bij vonnis van 16 september 2009 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en van de op deze imperatieve afwijzingsgrond toegelaten uitzonderingen in het onderhavige geval geen sprake is.
1.3 [Verzoekster] is van het vonnis van 16 september 2009 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 19 november 2009 bekrachtigd.
1.4 Het tijdig(1) tegen dit arrest ingediende cassatierekest bevat twee klachten.
1.5 De eerste klacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de mededeling van de rechtbank dat [verzoekster] behoorlijk, dat wil zeggen op het juiste adres, is opgeroepen voor de zitting van 17 juni 2004, voor juist moet worden gehouden, nu zij niet met bescheiden - bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de griffie van de rechtbank - heeft aangetoond welk adres voor de oproeping (wel) is gebezigd.
De tweede klacht betoogt dat het oordeel van het hof dat [verzoekster], nu zij ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij eind 2004/begin 2005 kennis heeft genomen van het vonnis van 17 juni 2004, binnen acht dagen na die kennisname hoger beroep had kunnen instellen en dat het nalaten daarvan een omstandigheid is die voor haar rekening en risico dient te blijven, onvoldoende is gemotiveerd.
1.6 Laatstgenoemde klacht faalt.
Uit HR 28 november 2003, LJN AN8489 (NJ 2005, 465) volgt dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat [verzoekster] als gevolg van een fout of verzuim van de (griffie van de) rechtbank niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een vonnis had gewezen en het vonnis haar als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep was toegezonden, [verzoekster] geen andere of langere termijn was toegestaan voor het instellen van hoger beroep dan acht dagen na de dag waarop het vonnis haar alsnog ter kennis is gekomen. Tegen deze achtergrond is 's hofs oordeel niet onvoldoende gemotiveerd.
1.7 Nu tegen het vonnis van de rechtbank van 17 juni 2004 geen hoger beroep is ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn, heeft dat vonnis kracht van gewijsde gekregen en dient de juistheid van dat vonnis tot uitgangspunt te worden genomen in de onderhavige procedure.
De eerste klacht mist mitsdien belang.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 24 november 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.