ECLI:NL:PHR:2010:BL3264

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03980
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 FwArt. 81 ROArt. 426a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw

In deze zaak heeft het Hof Amsterdam het vonnis van de Rechtbank Haarlem bekrachtigd waarbij het verzoek van verzoeker tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Het hof oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van een deel van zijn schulden, met name de schuld aan het Waarborgfonds en een lening bij ABN AMRO.

Verzoeker stelde dat hij wel te goeder trouw was, maar het hof vond dat hij onvoldoende onderbouwde dat een situatie als bedoeld in artikel 288 lid 3 van Pro de Faillissementswet zich voordeed. Diverse onderdelen van het cassatieberoep werden door de Procureur-Generaal als onbegrijpelijk, feitelijk ongegrond of niet-ontvankelijk beoordeeld. Zo werd onder meer geoordeeld dat het hof terecht had vastgesteld dat verzoeker meer had kunnen aflossen op de schuld aan het Waarborgfonds in plaats van geld aan andere uitgaven te besteden.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering. De Hoge Raad bevestigt hiermee het oordeel van het hof dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij te goeder trouw was, waardoor het verzoek tot schuldsaneringsregeling terecht is afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.

Conclusie

09/03980
mr Spier
Parket 2 februari 2010
Verkorte conclusie inzake
[Verzoeker]
1. Het Hof Amsterdam heeft bij arrest van 22 september 2009 het vonnis van de Rechtbank Haarlem bekrachtigd waarbij het verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Tegen dit arrest is tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. Volgens het Hof heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt bij het ontstaan/onbetaald laten van (een deel van) de schulden te goeder trouw te zijn geweest. Het Hof doelt daarbij vooral op een schuld aan het Waarborgfonds en een lening aan ABN AMRO. Onvoldoende onderbouwd is dat zich een situatie als bedoeld in art. 288 lid 3 Fw Pro. voordoet (rov. 2.3).
3. De onderdelen 2-2.3 behelzen geen klachten (die aan de daaraan te stellen eisen voldoen). Onderdeel 2.4 mist feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat het Hof ten nadele van [verzoeker] rekening houdt met de CJIB-boetes. Ten aanzien van de schuld aan het Waarborgfonds gaat het Hof klaarblijkelijk uit van het door [verzoeker] genoemde bedrag waarover het - niet bestreden - oordeelt dat sedert 2007 daarop niet meer is afgelost.
4. Onderdeel 2.5 is onbegrijpelijk. In elk geval wordt eraan voorbijgezien dat het Hof uitlegt waarom [verzoeker] meer had kunnen (en daarom ook had moeten) aflossen op de schuld aan het Waarborgfonds in plaats van dit geld te besteden aan onder meer een huwelijksfeest. Ook onderdeel 2.7, voor zover al begrijpelijk, loopt hierop stuk.
5. Voor zover onderdeel 2.6 ertoe strekt dat iedere betaling meebrengt dat een schuldenaar te goeder trouw is, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het iets anders bedoelt te zeggen, is het onbegrijpelijk.
6. Onderdeel 2.8, reppend over "de stukken van het geding", voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.
7. Onderdeel 2.9 mist feitelijke grondslag. Volkomen duidelijk is welke schulden het Hof [verzoeker] aanrekent: de lening, voor zover aangegaan voor - in de omstandigheden van het geval - niet aangewezen uitgaven en de schuld aan het Waarborgfonds.
8. Onderdeel 2.10 miskent dat het Hof - in cassatie niet bestreden - heeft geoordeeld dat [verzoeker] zijn goede trouw, als bedoeld onder 2, moet aantonen en dat hij dit onvoldoende heeft gedaan. Ook onderdeel 2.11 ziet hieraan voorbij.
9. Onderdeel 2.12 is onbegrijpelijk en mist bovendien belang in het licht van hetgeen onder 8 is vermeld.
10. Onderdeel 2.13 voegt niets nieuws toe en faalt op de hiervoor genoemde gronden.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procueur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal