ECLI:NL:PHR:2010:BL3264
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw
In deze zaak heeft het Hof Amsterdam het vonnis van de Rechtbank Haarlem bekrachtigd waarbij het verzoek van verzoeker tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Het hof oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van een deel van zijn schulden, met name de schuld aan het Waarborgfonds en een lening bij ABN AMRO.
Verzoeker stelde dat hij wel te goeder trouw was, maar het hof vond dat hij onvoldoende onderbouwde dat een situatie als bedoeld in artikel 288 lid 3 van Pro de Faillissementswet zich voordeed. Diverse onderdelen van het cassatieberoep werden door de Procureur-Generaal als onbegrijpelijk, feitelijk ongegrond of niet-ontvankelijk beoordeeld. Zo werd onder meer geoordeeld dat het hof terecht had vastgesteld dat verzoeker meer had kunnen aflossen op de schuld aan het Waarborgfonds in plaats van geld aan andere uitgaven te besteden.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering. De Hoge Raad bevestigt hiermee het oordeel van het hof dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij te goeder trouw was, waardoor het verzoek tot schuldsaneringsregeling terecht is afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.