ECLI:NL:PHR:2010:BL3290
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid middellijk bestuurder voor onbehoorlijk bestuur en faillissement
De curator van een failliete B.V. vorderde dat eiser, als bestuurder, aansprakelijk werd gesteld voor onbehoorlijk bestuur dat het faillissement mede veroorzaakte. Eiser voerde aan dat hij niet direct bestuurder was, maar via een holding middellijk bestuurder. Het hof stelde vast dat eiser inderdaad middellijk bestuurder was en dat de holding onbehoorlijk bestuur had gepleegd, onder meer door onrechtmatige correcties in de rekening-courant en dividenduitkeringen die de solvabiliteit aantastten.
Het hof oordeelde dat de aansprakelijkheid van de holding op grond van art. 2:248 lid 1 BW Pro tevens hoofdelijk rust op eiser als middellijk bestuurder volgens art. 2:11 BW Pro. Eiser voerde ter disculpatie aan dat de feitelijke leiding bij derden lag, maar dit werd verworpen omdat hij nalatig was in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het wanbeleid af te wenden.
De Hoge Raad bevestigde dat eiswijziging bij pleidooi in uitzonderlijke gevallen is toegestaan en verwierp de cassatieklachten. De aansprakelijkheid van eiser is gebaseerd op zijn positie als middellijk bestuurder en niet op persoonlijk onbehoorlijk bestuur. De Hoge Raad oordeelde dat de handelingen van de holding kennelijk onbehoorlijk waren en dat eiser daarvoor aansprakelijk is, waarbij een beroep op disculpatie faalde.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van eiser als middellijk bestuurder voor onbehoorlijk bestuur.