ECLI:NL:PHR:2010:BL3591
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatschappelijke ongebruikelijkheid bij terbeschikkingstelling van een pand binnen familieverband
Belanghebbende en haar broer kochten een pand van hun vader, waarbij de koopprijs schuldig bleef en een hypothecaire lening werd verstrekt onder zakelijke voorwaarden. Vervolgens verhuurden zij het pand aan een vennootschap waarin de vader een aanmerkelijk belang had. De vraag was of deze terbeschikkingstelling als maatschappelijk ongebruikelijk moest worden aangemerkt volgens artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001.
De Rechtbank oordeelde dat de terbeschikkingstelling niet ongebruikelijk was, mede omdat de transacties zakelijk waren en binnen de familierelatie gebruikelijk konden zijn. Het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat het geheel van rechtshandelingen, waaronder de financiering en het feit dat de kinderen het pand na 20 jaar onbezwaard zouden verkrijgen zonder materiële tegenprestatie, leidde tot een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling.
De Hoge Raad bevestigt dat bij de beoordeling van maatschappelijke ongebruikelijkheid niet alleen naar de afzonderlijke rechtshandeling moet worden gekeken, maar naar het gehele samenstel van rechtshandelingen en omstandigheden. Daarbij is de dubbele toets van belang: eerst of de overeenkomst in het algemeen maatschappelijk gebruikelijk is, en vervolgens of deze in de gegeven familieverhouding ongebruikelijk is. De bewijslast ligt bij de inspecteur. Het Hof heeft het juiste toetsingskader toegepast en zijn oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
De conclusie is dat de terbeschikkingstelling van het pand door belanghebbende en haar broer aan de vennootschap van hun vader maatschappelijk ongebruikelijk is, waardoor de regeling van artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001 van toepassing is. Dit arrest geeft belangrijke richtlijnen voor de toepassing van de ongebruikelijkheidstoets binnen familieverbanden, waarbij ook financieringsconstructies en het totaalbeeld van transacties worden betrokken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de terbeschikkingstelling is maatschappelijk ongebruikelijk.