ECLI:NL:PHR:2010:BL3969

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02024 Hs
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 467 SvArt. 476 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij diefstal van personenauto's

De zaak betreft een herzieningsverzoek van een onherroepelijk vonnis van de Rechtbank Arnhem waarbij aanvrager is veroordeeld voor meerdere diefstallen van personenauto's. De herzieningsaanvraag is gebaseerd op de stelling dat de geuridentificatieproeven, die een doorslaggevende rol speelden in de bewijsvoering, niet op deugdelijke wijze zijn uitgevoerd. Uit intern onderzoek bleek dat in de periode 1997-2006 de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland regelmatig niet volgens protocol werkte, waardoor de betrouwbaarheid van de geurproeven onvoldoende is.

De Hoge Raad oordeelt dat voor twee feiten (feit 3 en feit 6) de geurproef cruciaal was en dat zonder deze proeven het beschikbare bewijsmateriaal onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Voor feit 4 is geen sprake van een novum. De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond voor de feiten 3 en 6 en wijst de aanvraag voor het overige af.

De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting, waarbij het hof het vonnis van de Rechtbank kan vernietigen en opnieuw uitspraak kan doen. Tevens kan het hof, indien het tot vrijspraak komt voor feiten 3 en 6, voor de overige feiten een passende straf opleggen. De Hoge Raad beveelt waar nodig opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond voor twee diefstalfeiten en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 08/02024 Hs
Mr. Fokkens
Zitting 22 december 2009
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De Rechtbank te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 8 april 2003 wegens 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 2. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 3. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 4. "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 6. "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de aanvrager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het vonnis vermeld.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. L.K. de Ronde, advocaat te Arnhem.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager ter zake van de feiten 3, 4 en 6 indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef. De vrijspraak van die feiten zou tot een lagere straf hebben geleid.
4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Arnhem van 26 april 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt, en dat de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6. De Rechtbank heeft volstaan met een verkort vonnis. Ook bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken geen proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank. Het voorgaande brengt mee dat nu geen vonnis voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en dat aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat, ware de Rechtbank daarmee bekend geweest, hij aanvrager zou hebben vrijgesproken.
7. Uit het dossier blijkt dat geen geuridentificatieproef heeft plaatsgevonden ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit. Eventuele fouten bij geurproeven in die tijd zijn dus voor de bewezenverklaring van dit feit niet relevant.
De raadsman stelt in zijn verzoek tot herziening ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit tevens dat de zogenaamde herkenning bij de spiegelconfrontatie onbetrouwbaar is en dat een confrontatie met een fotoset de voorkeur had verdiend. Deze stelling zal echter niet als novum kunnen gelden omdat de toelichting van de raadsman onderbouwd is met feiten die eerder bekend waren en daarom geen ernstig vermoeden doet ontstaan, dat ware de Rechtbank hiermee bekend geweest ten tijde van de berechting, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak.
Dit betekent dat hier geen sprake is van enig novum zodat de aanvraag in zoverre ongegrond is.
8. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van de overige bewezenverklaarde feiten - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.
(I) Ten aanzien van feit 3, een diefstal gepleegd tussen 10 december 2002 en 11 december 2002:
a. Tussen 10 december 2002 omstreeks 22.00 uur en 11 december 2002 omstreeks 08.00 uur heeft een diefstal plaatsgevonden van een personenauto Opel Omega Caravan, kleur bordeaux-rood en voorzien van kenteken [AA-00-BB].(2)
b. De auto stond geparkeerd op het parkeerterrein, gelegen ter hoogte van het pand '[A]', gevestigd aan de [a-astraat 1] in [plaats]. In de personenauto was een aantal goederen aanwezig.(3)
c. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de aanvrager en zijn mededader hebben verteld dat zij een personenauto van het merk Opel type Omega, kleur rood hadden buitgemaakt. Ook heeft hij beiden regelmatig in een rode Opel Omega zien rijden. Tevens verklaart hij dat de aanvrager en zijn mededader hem op 14 december 2002 hebben gevraagd de rode Opel Omega naar [plaats] te brengen.(4)
d. Tijdens een surveillance vonden verbalisanten een personenauto Opel Omega, voorzien van kenteken [AA-00-BB] en de personenauto Volkswagen Golf feit 6). Beide personenauto's stonden met de voorzijden naar elkaar toe geparkeerd. De motorkap van de Volkswagen Golf was niet geheel gesloten, beide voorportieren boven het slot waren gestoken met vermoedelijk een scherp voorwerp en beide portieren waren niet afgesloten.
e. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van het stuur, de versnellingspook, de linkervoorstoel en de rechtervoorstoel van een personenauto voorzien van kenteken [AA-00-BB]. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(5)
(II) Ten aanzien van feit 6, een diefstal gepleegd tussen 14 december 2002 en 15 december 2002:
a. Tussen 14 december 2002 omstreeks 16.30 uur en 15 december 2002 omstreeks 09.00 uur heeft een diefstal plaatsgevonden van een personenauto Volkswagen GTI 16V, kleur grijs en voorzien van kenteken [CC-00-BB].(6)
b. De auto stond ten tijde van de diefstal geparkeerd op de [b-straat 1] in [plaats]. De personenauto startte niet omdat de accu leeg was.(7) Tijdens een surveillance vonden verbalisanten een personenauto Opel Omega, voorzien van kenteken [AA-00-BB] (feit 3) en de personenauto Volkswagen Golf. Beide personenauto's stonden met de voorzijden naar elkaar toe geparkeerd. De motorkap van de Volkswagen Golf was niet geheel gesloten, beide voorportieren boven het slot waren gestoken met vermoedelijk een scherp voorwerp en beide portieren waren niet afgesloten. De Volkswagen Golf stond nog niet als zijnde gestolen gesignaleerd, maar de verbalisanten hebben het voertuig veiliggesteld, gezien het voertuig vermoedelijk van diefstal afkomstig was.(8)
c. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 15 december 2002 omstreeks 03.00 uur een grijze Volkswagen Golf en een rode Opel met de voorzijde naar elkaar toe zag staan. Hij zag dat de beide auto's aan elkaar verbonden waren met kabels.(9)
d. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de ringsleutel en het contactslot van een personenauto met kenteken [CC-00-BB]. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(10)
9. Ten aanzien van beide feiten speelt de geuridentificatieproef voor wat betreft het bewijs in aanvragers zaak een belangrijke en mijns inziens doorslaggevende rol. In feit 3 is er weliswaar ook de verklaring van de getuige [getuige 1] dat aanvrager en zijn mededader een rode Opel Omega zouden hebben gestolen, maar zonder de uitslag van de geuridentificatieproef is dat naar mijn mening te weinig om bewezen te achten dat zij de in de tenlastelegging bedoelde Opel Omega hebben gestolen. Ten aanzien van feit 6 bevat het dossier naast de positieve geuridentificatieproef geen bewijsmateriaal waaruit kan volgen dat aanvrager feit 6 heeft gepleegd.
10. Uit het voorgaande volgt naar mijn oordeel dat niet aannemelijk is dat de Rechtbank zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van de feiten 3 en 6 zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat de Rechtbank, ware zij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 3 en 6 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, rov. 5.3.2).
11. Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage voor wat betreft de feiten 3 en 6 gegrond is. Met feit 4 heeft het novum waarop de aanvrager zich heeft beroepen, niets te maken. Het voorgaande betekent, gelet op art. 476, tweede lid, Sv, dat, mocht het Hof met vernietiging van het vonnis van de Rechtbank tot een vrijspraak komen van hetgeen onder 3 en 6 is tenlastegelegd, het voor de overige feiten de daarvoor in aanmerking komende straf zal hebben te bepalen.
12. Gelet op het voorgaande strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad:
(i) de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, doch uitsluitend voor zover zij betrekking heeft op de onder 3 en 6 bewezenverklaarde feiten;
(ii) voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Rechtbank zal bevelen;
(iii) de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor het overige feit op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen, en
(iv) de aanvraag tot herziening voor het overige af zal wijzen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR22 april, LJN BC 8789, NJ 2008, 591.
2 Zie het proces-verbaal van aangifte, dossierparagraaf 2.1.2.
3 Zie het proces-verbaal van aangifte, dossierparagraaf 2.1.2.
4 Zie het proces-verbaal van verhoor, dossierparagraaf 2.1.5.
5 Zie het proces-verbaal technisch onderzoek, dossierparagraaf 2.1.7.
6 Zie het proces-verbaal van aangifte, dossierparagraaf 2.4.2.
7 Zie het proces-verbaal van aangifte, dossierparagraaf 2.4.2.
8 Zie het proces-verbaal van bevindingen, dossierparagraaf 2.4.4.
9 Zie het proces-verbaal van verhoor, dossierparagraaf 2.4.6.
10 Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, dossierparagraaf 2.4.7; Zie het proces-verbaal stand van zaken, dossierparagraaf 0.4.