ECLI:NL:PHR:2010:BL4010
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening arrest wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij inbraakzaak
De zaak betreft een herzieningsaanvraag van een veroordeling wegens meerdere diefstal- en medepleegdelicten, waaronder een inbraak op 2 mei 2002 in het bedrijf van de benadeelde partij. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. Uit intern onderzoek bleek dat deze geurproeven in de periode 1997-2006 vaak niet conform protocol werden uitgevoerd, waardoor de betrouwbaarheid van de resultaten ernstig in twijfel wordt getrokken.
De Hoge Raad overweegt dat indien een geuridentificatieproef onregelmatig is uitgevoerd en het resultaat daarvan voor het bewijs is gebruikt, terwijl zonder die uitkomst het hof niet tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, er een ernstig vermoeden bestaat dat de verdachte vrijgesproken zou zijn. In deze zaak was het bewijs tegen de aanvrager voor het feit van inbraak (feit 2) grotendeels gebaseerd op de geurproef en overeenkomende schoensporen. Zonder de geurproef zou het hof waarschijnlijk tot vrijspraak zijn gekomen.
Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond voor het feit van inbraak en beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting conform artikel 467 Sv Pro. Voor de overige feiten wordt de aanvraag afgewezen, omdat de geurproef niet op die feiten van toepassing was.
De Hoge Raad benadrukt dat de geurproeven in deze periode niet als betrouwbaar bewijs kunnen gelden zonder concrete aanwijzingen van het tegendeel. Dit arrest bevestigt het belang van correcte bewijsvoering en de gevolgen van onregelmatige onderzoekspraktijken voor strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond voor het feit van inbraak en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.