ECLI:NL:PHR:2010:BL4010

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11928 Hs
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 467 SvArt. 476 SvArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening arrest wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij inbraakzaak

De zaak betreft een herzieningsaanvraag van een veroordeling wegens meerdere diefstal- en medepleegdelicten, waaronder een inbraak op 2 mei 2002 in het bedrijf van de benadeelde partij. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. Uit intern onderzoek bleek dat deze geurproeven in de periode 1997-2006 vaak niet conform protocol werden uitgevoerd, waardoor de betrouwbaarheid van de resultaten ernstig in twijfel wordt getrokken.

De Hoge Raad overweegt dat indien een geuridentificatieproef onregelmatig is uitgevoerd en het resultaat daarvan voor het bewijs is gebruikt, terwijl zonder die uitkomst het hof niet tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, er een ernstig vermoeden bestaat dat de verdachte vrijgesproken zou zijn. In deze zaak was het bewijs tegen de aanvrager voor het feit van inbraak (feit 2) grotendeels gebaseerd op de geurproef en overeenkomende schoensporen. Zonder de geurproef zou het hof waarschijnlijk tot vrijspraak zijn gekomen.

Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond voor het feit van inbraak en beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting conform artikel 467 Sv Pro. Voor de overige feiten wordt de aanvraag afgewezen, omdat de geurproef niet op die feiten van toepassing was.

De Hoge Raad benadrukt dat de geurproeven in deze periode niet als betrouwbaar bewijs kunnen gelden zonder concrete aanwijzingen van het tegendeel. Dit arrest bevestigt het belang van correcte bewijsvoering en de gevolgen van onregelmatige onderzoekspraktijken voor strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond voor het feit van inbraak en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 07/11928 Hs
Mr. Fokkens
Zitting 22 december 2009
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 20 november 2003 wegens 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 2. "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 4. subsidiair "het medeplegen van: opzetheling; meermalen gepleegd", 5. "verduistering", 6. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager ter zake van de bewezenverklaarde feiten indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef.
4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad van mei 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt en dat de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6. Het Hof heeft volstaan met een verkort arrest. Voorts bevindt zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken een proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof. Het voorgaande brengt mee dat nu geen arrest voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken.
7. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat geen geuridentificatieproef heeft plaatsgevonden ten aanzien van de onder 1, 4 subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde feiten. Dit betekent dat het hiervoor onder 5 bedoelde geval zich in deze zaken niet voordoet, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van die tenlastegelegde feiten zou hebben vrijgesproken. Gelet daarop meen ik dat de aanvraag in zoverre ongegrond is.
8. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.
(i) Op 2 mei 2002 tussen 02.58 uur en 03.07 uur heeft een inbraak plaatsgevonden in het bedrijf "[benadeelde partij 2]".(2)
(ii) Hierbij is de buitendeur opengebroken waarbij het slot vernield is. Ook is een toegangsdeur van het kantoor volledig vernield. Het slot van de deur is vernield en de deur is bijna in tweeën gebroken. De bureaustoel en de computer server, van het merk IBM, liggen volledig uit elkaar. De behuizing van het computerbeeldscherm is vernield en het beeldscherm ligt op z'n kop op het bureau. De beide servers en de bedrading uit het kantoor van unit 96 zijn losgerukt en weggenomen. Daarnaast zijn er drie laptops, van het merk Toshiba, inclusief toebehoren en zwarte nylon tassen, één digitale camera met toebehoren en tas, van het merk Nikon verdwenen.(3)
(iii) Uit een proces-verbaal van schoensporenvergelijking door de technische recherche blijkt dat de schoenen die door de politie in het huis van de aanvrager in beslag waren genomen (nummer 4035) een soortgelijk profiel vertonen als de veiliggestelde schoensporen naar aanleiding van de inbraak in het kantoor van [benadeelde partij 2] te [plaats]. De uitkomst leverde de waardering op "mogelijk".(4)
(iv) Getuige [getuige] heeft op 12 november 2002 verklaard dat de in haar woning in beslag genomen wit/zwart kleurige "Nike" schoenen (nummer 4035) van de aanvrager zijn.(5)
(v) Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van losgekoppelde stekkers van een computer die in het kantoor stond. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(6)
9. Behoudens de overeenkomst tussen de "Nike" schoenen van de aanvrager en het schoenspoor en de positieve geuridentificatieproef houdt het dossier geen bewijsmateriaal in, waaruit met voldoende mate van aannemelijkheid kan volgen dat aanvrager bij de inbraak in [benadeelde partij 2] te [plaats] betrokken is geweest. Daaruit volgt dat niet aannemelijk is dat het Hof zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 2 zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Hof, ware het op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).
10. Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage voor wat betreft feit 2 gegrond is. Met de feiten 1, 4 subsidiair, 5 en 6 heeft het novum waarop de aanvrager zich heeft beroepen, niets te maken. Immers, in de bewijsvoering met betrekking tot deze feiten kan het resultaat van een geurproef redelijkerwijs geen rol hebben gespeeld aangezien deze niet is uitgevoerd. Het voorgaande betekent, gelet op art. 476, tweede lid, Sv, dat, mocht het Hof met vernietiging van het arrest van het Hof tot een vrijspraak komen van hetgeen onder 2 is tenlastegelegd, het voor de overige feiten de daarvoor in aanmerking komende straf zal hebben te bepalen.
11. Gelet op het voorgaande strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad:
(i) de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, doch uitsluitend voor zover zij betrekking heeft op het onder 2 bewezenverklaarde feit;
(ii) voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Hof zal bevelen;
(iii) de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor het overige feit op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen, en
(iv) de aanvraag tot herziening voor het overige af zal wijzen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR22 april, LJN BC 8789, NJ 2008, 591.
2 Zie het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina's 8a-8d.
3 Zie het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina's 8a-8d.
4 Zie het proces-verbaal van technische onderzoek, doorgenummerde pagina's 11a-11e.
5 Zie het proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina's 12a-12b en 16.
6 Zie het proces-verbaal technisch onderzoek, doorgenummerde pagina's 10a-10.