ECLI:NL:PHR:2010:BL4055

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01816
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328 SvArt. 330 SvArt. 331 SvArt. 415 SvArt. 418 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens verzuim beslissing getuigenverzoek en terugwijzing zaak

De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem waarin verzoeker is veroordeeld voor diefstal in vereniging en medeplegen van onttrekking aan beslag, en voor rijden zonder rijbewijs. De verdediging had een getuigenverzoek ingediend om de broer van verzoeker als getuige te horen, wat niet is beslist door het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof op grond van artikel 330 Sv Pro verplicht was een gemotiveerde beslissing te geven op het getuigenverzoek, dat een verzoek tot nader onderzoek betreft. Het verzuim om hierop te beslissen leidt tot nietigheid van het arrest voor het betreffende feit.

Verder wordt vastgesteld dat verzoeker niet ontvankelijk is in cassatie ten aanzien van een overtreding waarvoor een geldboete is opgelegd. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor het feit waarvoor het getuigenverzoek gold en de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het hof Arnhem voor hernieuwde behandeling, en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens het niet beslissen op het getuigenverzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 08/01816
Mr Jörg
Zitting 9 februari 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 11 april 2008 verzoeker wegens diefstal in vereniging en medeplegen van het opzettelijk onttrekken van een goed aan het daarop gelegde beslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en hem voorts wegens rijden zonder rijbewijs veroordeeld tot een geldboete van € 220,-, subsidiair vier dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij in haar geheel toegewezen en aan verzoeker een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Bovendien heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een aan verzoeker bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 6 december 2005(1) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.H.D. van Onna, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Alvorens het middel te bespreken vestig ik de aandacht op het volgende. Het hof heeft verzoeker ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit, een overtreding (art. 107, eerste lid, in verbinding met art. 177, eerste lid aanhef en onder a, en art. 178, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994), enkel veroordeeld tot een geldboete van € 220,-. Gelet op art. 427, tweede lid, Sv kan verzoeker in zoverre niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
4. Het middel behelst de klacht dat het hof in zijn arrest heeft verzuimd te beslissen op het door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoek om [betrokkene 1] (de broer van verzoeker) als getuige te horen, terwijl de voorwaarde is vervuld.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger houdt in dat de raadsvrouwe van verzoeker aldaar onder meer het volgende heeft aangevoerd:
"Cliënt heeft bekend de feiten 1 en 3 te hebben gepleegd. Wat betreft het onder 2 tenlastegelegde stelt cliënt zich op het standpunt dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen [kan] worden verklaard. Mocht uw hof de lezing van cliënt ten aanzien van feit 2 niet willen volgen, dan verzoekt de verdediging uw hof de behandeling van de zaak aan te houden en de broer van cliënt, [betrokkene 1], als getuige te doen horen."(2)
6. Het hof heeft het - primair gevoerde - verweer van de raadsvrouwe in de bestreden uitspraak onder het hoofd "overweging met betrekking tot het bewijs" gemotiveerd verworpen en verzoeker onder meer ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit veroordeeld.
7. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 Sv Pro dat strekt tot het doen verrichten van nader onderzoek is nodig dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling.(3)
8. Het op de terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsvrouwe van verzoeker om de zaak aan te houden teneinde [betrokkene 1] als getuige te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 Sv Pro en art. 415, eerste lid, Sv, terwijl de aan dat verzoek verbonden voorwaarde is vervuld (het hof heeft het onder 2 tenlastegelegde feit bewezenverklaard). In aanmerking genomen dat in eerste aanleg na 1 januari 2005(4), te weten op 30 maart 2007, uitspraak is gedaan en gelet op de omstandigheid dat voornoemde getuige niet bij appelschriftuur door verzoeker is opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv of de noodzaak daarvan is gebleken.(5)
9. Het hiervoor bedoelde verzoek is een verzoek waaromtrent de rechter ingevolge art. 330 Sv Pro op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houden een zodanige beslissing in.(6) De casus biedt geen aanknopingpunten voor een reddingspoging zoals door mij (overigens tevergeefs) ondernomen in de conclusie voor het in de noot als tweede genoemde arrest.
10. Het middel slaagt.(7) Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het beroep wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit, tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het dictum is strijdig met wat het hof in de rubriek Vordering tenuitvoerlegging overweegt. Het gaat niet om een vonnis van de politierechter van 6 december 2005, maar om een arrest het eigen hof van die datum.
2 Blijkens de door de raadsvrouwe op deze terechtzitting overgelegde pleitnotitie heeft zij primair bepleit dat verzoeker wordt vrijgesproken van feit 2, omdat er sprake is van opzet noch van medeplegen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verzoeker zich van het handelen van zijn broer heeft gedistantieerd en is weggelopen, dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de beide broers en dat verzoeker pas nadat het feit reeds was voltooid bij zijn broer in de auto is gestapt. Subsidiair heeft de raadsvrouwe het hof verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en de broer van verzoeker als getuige te horen, nu hij de lezing van verzoeker kan bevestigen.
3 Vgl. HR 17 april 2007, LJN AZ5671, NJ 2007, 247, HR 21 oktober 2003, LJN AL3458 en HR 23 november 1999, LJN AA3794, NJ 2000, 128.
4 Art. V, tweede lid, (overgangsbepaling) van de wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579), in verbinding met het besluit van 9 december 2004 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van voornoemde wet (Stb. 640).
5 Vgl. HR 16 september 2008, LJN BD3654, NJ 2008, 514, HR 16 september 2008, LJN BD3688, NJ 2008, 513, HR 25 maart 2008, LJN BC6007, NJ 2008, 210 en HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626, m.nt. Pme, rov. 3.3.1. Aan de term "redelijkerwijs" in art. 418, derde lid, Sv komt geen bijzondere betekenis toe, aldus Uw Raad.
6 Vgl. HR 30 juni 2009, LJN BI4073, HR 9 juni 2009, LJN BI0505, HR 24 juni 2008, LJN BD0429, HR 16 oktober 2007, LJN BB2968, NJ 2007, 570, HR 17 april 2007, LJN AZ7120, NJ 2007, 251 en HR 31 januari 2006, LJN AU5632.
7 In aanmerking genomen dat het in het middel bedoelde getuigenverzoek enkel betrekking heeft op feit 2 en niet op feit 1 (welk feit verzoeker op de terechtzitting in eerste aanleg heeft bekend) en gelet op de omstandigheid dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep ten aanzien van feit 3, leidt het slagen van het middel ertoe dat het arrest alleen wat betreft feit 2 en de strafoplegging behoeft te worden vernietigd.