ECLI:NL:PHR:2010:BL5540
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor doodslag echtgenote door wurging of smoren
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij zijn toenmalige echtgenote in januari 2001 opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade door wurging of smoren van het leven had beroofd. Het hof sprak hem vrij van deze tenlastelegging omdat het bewijs onvoldoende overtuigend was.
De medische deskundigen rapporteerden breukjes en bloedstuwing die mogelijk wijzen op samendrukkend geweld op de hals, maar het hof achtte deze bevindingen niet overtuigend bewezen. Ook de blauwverkleuring van het gelaat kon niet zonder meer worden toegeschreven aan verstikking door geweld, aangezien alternatieve doodsoorzaken, zoals suïcide met een plastic zak, niet konden worden uitgesloten.
De verdachte verklaarde zijn echtgenote levenloos op bed te hebben aangetroffen met een plastic zak over haar hoofd. Het hof achtte het scenario van zelfdoding niet hoogst onwaarschijnlijk. De gedragingen van de verdachte na het overlijden en zijn valse verklaringen konden op zichzelf geen bewijs vormen voor het opzettelijk doden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie dat het hof een onjuiste uitleg van de tenlastelegging zou hebben gegeven. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de strafzaak was overschreden, wat tot strafvermindering leidde. Het cassatieberoep werd verder afgewezen.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk doden door wurging of smoren.