ECLI:NL:PHR:2010:BL5656

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00756 Hs
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen overval ondanks twijfel aan geuridentificatieproef

Op 6 augustus 2004 vond een overval plaats in een hotel te Amsterdam waarbij onder bedreiging met een pistool een medewerker werd vastgebonden en € 500 uit de kassa werd gestolen. De daders lieten een personenauto achter op het parkeerterrein. Diverse getuigenverklaringen en een positieve geuridentificatieproef wezen aanvrager als een van de daders.

De rechtbank veroordeelde aanvrager in 2005 tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf voor medeplegen van de overval en subsidiair voor medeplegen van opzetheling. Later kwam aan het licht dat geuridentificatieproeven door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de periode 1997-2006 regelmatig niet volgens protocol werden uitgevoerd, waardoor de betrouwbaarheid van deze proeven twijfelachtig werd.

Aanvrager verzocht herziening van zijn veroordeling op grond van deze onregelmatigheden. De Hoge Raad overwoog dat geuridentificatieproeven uit die periode, tenzij anders bewezen, als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd en dat het gebruik ervan als bewijs een ernstig vermoeden van onrechtvaardigheid kan opleveren.

Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat het overige bewijsmateriaal, waaronder de herkenning van aanvrager bij een fotoconfrontatie en verklaringen van zijn vriendin, voldoende was om de veroordeling te handhaven. De herzieningsaanvraag werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag ongegrond en bevestigt de veroordeling van aanvrager tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf.

Conclusie

Nr. 09/00756 Hs
Mr. Fokkens
Zitting 16 februari 2010
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De Rechtbank te Amsterdam heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 21 december 2005 wegens 1. primair "diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer personen" en 4. subsidiair "medeplegen van opzetheling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager ter zake van feit 1 en feit 4 subsidiair indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Amsterdam van 29 januari 2008, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6. De Rechtbank heeft volstaan met een verkort vonnis. Nu geen vonnis voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, zal het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat, ware de Rechtbank daarmee bekend geweest, zij aanvrager van een of meer van de bedoelde feiten zou hebben vrijgesproken.
7. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde feit - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.
(i) Op 6 augustus 2004 omstreeks 02.30 uur heeft een overval plaatsgevonden in het [A] hotel te Amsterdam.(2)
(ii) De daders hebben hun auto geparkeerd op het parkeerterrein van het hotel. Vervolgens zijn zij via de ingang van het hotel naar binnen gegaan. Onder bedreiging van een pistool hebben de daders een medewerker van het hotel vastgebonden met ty-wraps en zijn er vervolgens met € 500,- uit de kassa vandoor gegaan.(3)
(iii) In de maand oktober 2004 zijn er drie meldingen gedaan bij Meld Misdaad Anoniem over een overval in het [A] hotel te Amsterdam. In deze meldingen werd de aanvrager als één van de daders aangemerkt. De vriendin van de aanvrager zou in het hotel werken, zij zou de daders de nodige informatie hebben verstrekt.(4)
(iv) [Slachtoffer] heeft een beschrijving van de daders gegeven. Eén persoon was ongeveer 2 meter lang met kort, stijl haar. De andere man had een getint uiterlijk, ongeveer 1.70 meter lang en zwart, iets golvend haar, dat hij in een staart droeg.(5)
(v) [Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 02.45 uur en 03.00 uur twee mannen zag lopen achter het tankstation BP. Zij kwamen bij het [A] hotel vandaan. Het betrof een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk en een lengte van ongeveer 1.90 meter en een man met eveneens een Noord-Afrikaans uiterlijk, een lengte van 1.70 meter en het haar in een staartje.(6)
(vi) [Betrokkene 2], werkzaam bij het [A] hotel, heeft verklaard dat zij een relatie heeft met de aanvrager en dat zij aan hem informatie heeft verstrekt over de gang van zaken in het hotel. Nadat [betrokkene 2] op de hoogte is gebracht van het feit dat zij door de recherche zal worden gehoord, vindt er herhaaldelijk telefonisch contact plaats tussen haar en de aanvrager. Uit de gesprekken valt op te maken dat zij zich grote zorgen maakt over iets. Zij wil niet over de telefoon zeggen waar het over gaat, maar zegt dat het te maken heeft met de aanvrager. De aanvrager vraagt of het te maken heeft met die jongen van de Peugeot, die voor de zomer bij hun in de auto zat. Zij zegt dat het wel met hem was. Hij vraagt het haar te sms-en. Uiteindelijk stuurt zij hem een sms-bericht dat zij de recherche aan de deur heeft gehad. Als toelichting op deze sms vertelde [betrokkene 2] aan de verbalisanten dat de sms over een meisje ging waar de aanvrager een relatie mee zou hebben. Tevens ontkende zij dat het iets met de overval te maken had.(7)
(vii) [Slachtoffer] heeft de aanvrager herkend tijdens een meervoudige fotoconfrontatie, als zijnde een van de daders van de overval op het [A] hotel.(8)
(viii) Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de linker- en rechtervoorstoel van de door de daders achtergelaten personenauto. De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(9)
8. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 4 tenlastegelegde feit - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.
(i) Op 6 augustus 2004 omstreeks 02.30 uur heeft een overval plaatsgevonden in het [A] hotel te Amsterdam.(10)
(ii) De daders hebben een personenauto Peugeot 405, voorzien van kenteken [AA-00-BB], achtergelaten op het parkeerterrein van het hotel.(11)
(iii) [Betrokkene 3] heeft op 4 augustus 2004 aangifte gedaan van diefstal van zijn personenauto Peugeot 405, voorzien van kenteken [AA-00-BB].(12)
(iv) Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de linker- en rechtervoorstoel van de door de daders achtergelaten personenauto. De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(13)
9. Het bewijsmateriaal overziende meen ik dat voldoende aannemelijk is dat aanvrager ook zonder de resultaten van de geurproef zou zijn veroordeeld. De herkenning als een van de daders bij de meervoudige fotoconfrontatie gezien in samenhang met hetgeen zijn vriendin heeft verklaard en haar gedrag nadat de politie bij haar langs was geweest levert voldoende bewijs op voor het medeplegen van de overval. Daaruit kan vervolgens ook aanvragers betrokkenheid bij de bewezenverklaarde opzettelijke heling van de door de overvallers gebruikte Peugeot worden afgeleid. Ik acht de aanvrage dan ook ongegrond.
10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR22 april, LJN BC 8789, NJ 2008, 591.
2 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1-4.
3 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1-4.
4 Zie het proces-verbaal van Melding Misdaad Anoniem, meldingsnummer 15336, p. 1; Zie het proces-verbaal van Melding Misdaad Anoniem, meldingsnummer 15729, p. 1; Zie het proces-verbaal van Melding Misdaad Anoniem, meldingsnummer 15896, p. 1.
5 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1-4.
6 Zie het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2004194491-1, p. 1-2.
7 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2004194491-42, p. 1-5.
8 Zie het proces-verbaal van fotoconfrontatie, proces-verbaalnummer 2004194491, p. 1-5.
9 Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, proces-verbaalnummer 23.05.05.12.00.SIMBRU.
10 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004, p. 1-4.
11 Zie het proces-verbaal van relaas, proces-verbaalnummer 2004192772-1, p. 1-2.
12 Zie het proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer 2004192772-1.
13 Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, proces-verbaalnummer 23.05.05.12.00.SIMBRU.