ECLI:NL:PHR:2010:BL6471
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid tot naheffing motorrijtuigenbelasting op grond van Algemene wet inzake rijksbelastingen
Belanghebbende, een taxichauffeur, kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd wegens het ten onrechte genieten van een vrijstelling voor taxivervoer over de periode 1998-1999. De inspecteur stelde dat de vrijstelling niet terecht was verleend omdat een kilometertelleronderbreker in de taxi was ingebouwd, waardoor de administratie onbetrouwbaar was.
De Rechtbank en het Hof Amsterdam behandelden het geschil waarbij het Hof oordeelde dat de naheffing niet beperkt was tot de vier tijdvakken van drie maanden zoals bepaald in artikel 76 lid 2 Wet Pro mrb '94, maar dat de inspecteur bevoegd was op grond van artikel 20 Awr Pro over vijf jaar naheffing op te leggen. De boete werd verminderd tot 10% van het nageheven bedrag.
In cassatie stelde belanghebbende dat artikel 76 Wet Pro mrb '94 een lex specialis is die de naheffing regelt en dat de boete onterecht was opgelegd omdat zijn standpunt pleitbaar was. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat artikel 76 Wet Pro mrb '94 geen lex specialis is die artikel 20 Awr Pro uitsluit. De inspecteur kon dus terecht naheffen over vijf jaar en een verzuimboete opleggen. Het pleitbare standpunt van belanghebbende stond het opleggen van een verzuimboete niet in de weg.
De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen bijzondere naheffingsbepalingen in de Wet mrb '94 en de algemene naheffingsbevoegdheid van de Awr, en bevestigt dat de inspecteur bij voldoende bewijs de langere naheffingstermijn van de Awr kan toepassen. Tevens wordt het beleid rond verzuimboetes bij naheffing bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid tot naheffing motorrijtuigenbelasting op grond van artikel 20 Awr met oplegging van een verzuimboete.