ECLI:NL:PHR:2010:BL6572
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende exploiteerde een taxibedrijf en kreeg voor zijn auto een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (mrb) wegens taxivervoer. Na een boekenonderzoek in 2004 stelde de inspecteur vast dat de vrijstelling ten onrechte was verleend en legde naheffingsaanslagen en boetes op over de jaren 1999 tot en met 2001.
De rechtbank wees het beroep tegen de aanslagen af, maar mat de boetes wegens termijnoverschrijding. Het hof vernietigde vervolgens de naheffingsaanslagen en boetes omdat het onderzoek van 18 augustus 2004 als constateringstijdstip werd gezien, waardoor naheffing alleen mogelijk was over een beperkte periode van maximaal één jaar en drie voorafgaande kwartalen.
De staatssecretaris stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof, stellende dat artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de termijn van vijf jaar voor naheffing bepaalt en dat artikel 76 van Pro de Wet mrb '94 geen lex specialis is die deze termijn beperkt. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, oordeelde dat het hof ten onrechte artikel 76 als Pro lex specialis had toegepast en verwees de zaak voor inhoudelijke beoordeling terug naar een ander hof.
De Hoge Raad bevestigde dat het moment van constatering van het feit dat aanleiding geeft tot naheffing correct door het hof was vastgesteld, maar dat dit niet de termijn van naheffing beperkt. De zaak wordt verwezen om te beoordelen of de auto daadwerkelijk geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer is gebruikt in de naheffingstijdvakken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor inhoudelijke beoordeling.