ECLI:NL:PHR:2010:BL6575
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid naheffing motorrijtuigenbelasting en boetes op grond van artikel 20 AWR
Belanghebbende, een taxichauffeur die een taxibedrijf exploiteerde, kreeg naheffingsaanslagen en verzuimboetes opgelegd wegens onterechte vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (MRB) voor de periode 6 mei 1998 tot en met 5 mei 2001. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank de aanslagen en boetes, maar het Hof Amsterdam herstelde deze deels en beperkte de boetes tot 10% van de nageheven belasting.
In cassatie stelde belanghebbende dat de naheffing uitsluitend op artikel 76 Wet Pro MRB gebaseerd kon zijn, dat als lex specialis zou gelden boven artikel 20 AWR Pro. De staatssecretaris stelde incidenteel beroep in met een afwijkende boeteberekening.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 76 Wet Pro MRB niet als lex specialis geldt ten opzichte van artikel 20 AWR Pro en dat de Inspecteur voldoende bewijs had om op grond van artikel 20 AWR Pro naheffing en boetes op te leggen binnen de vijfjaarsperiode. Het incidentele beroep werd niet behandeld omdat het niet aan de orde was. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de Inspecteur om naheffingsaanslagen en boetes op grond van artikel 20 AWR op te leggen.