ECLI:NL:PHR:2010:BL6576
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Inspecteur tot naheffing motorrijtuigenbelasting en boetes
Belanghebbende, een taxichauffeur die een taxibedrijf exploiteerde, kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd wegens onterechte vrijstelling van motorrijtuigenbelasting (mrb) over de jaren 1998 tot 2001. De naheffing was gebaseerd op artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Belanghebbende betwistte de boetes en de naheffingsaanslagen, waarna de rechtbank deze vernietigde. De Inspecteur ging in hoger beroep en het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beperkte de boetes tot 10% van het nageheven bedrag.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat de Inspecteur bevoegd was de naheffing op grond van artikel 20 AWR Pro op te leggen in plaats van artikel 76 van Pro de Wet mrb '94. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 76 Wet Pro mrb '94 niet als lex specialis geldt ten opzichte van artikel 20 AWR Pro en dat de Inspecteur op grond van artikel 20 AWR Pro bevoegd was de naheffing te verrichten binnen de vijfjaarstermijn na het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
Het incidentele cassatieberoep van de staatssecretaris, dat uitging van toepassing van artikel 76 Wet Pro mrb '94 en een hogere boete van 100%, werd niet behandeld omdat de Hoge Raad het principaal beroep volgde. De Hoge Raad concludeerde dat de naheffing terecht was en dat de boetes passend waren. Het beroep in cassatie werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Inspecteur bevoegd is naheffingsaanslagen en boetes op te leggen op grond van artikel 20 AWR voor motorrijtuigenbelasting over 1998-2001.