ECLI:NL:PHR:2010:BL6663
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ne bis in idem en niet-ontvankelijkheid bij schending procesorde in Opiumwetzaak
In deze zaak stond de vraag centraal of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde door het toevoegen van geheimhoudersgesprekken aan het dossier zonder machtiging. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel dit een ernstige inbreuk is, geen sprake was van daadwerkelijke schade voor de verdachte, waardoor niet-ontvankelijkheid niet gerechtvaardigd was.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad het beroep op ne bis in idem. Het hof had nagelaten hierop gemotiveerd te beslissen, terwijl dit op grond van artikel 358 Sv Pro verplicht was. De Hoge Raad stelde vast dat de feiten waarop het eerdere arrest van 24 december 2004 betrekking had, wezenlijk verschilden van de huidige tenlastelegging betreffende voorbereidingshandelingen met PMK. Hierdoor was geen sprake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr Pro en was het ne bis in idem-verweer niet toewijsbaar.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het verweer van niet-ontvankelijkheid wegens ne bis in idem ten aanzien van het deelnemen aan een criminele organisatie was verworpen. Dit leidde tot vernietiging van dat deel van het arrest en terugwijzing voor herbeoordeling. Verder bevestigde de Hoge Raad de bewezenverklaringen en veroordeelde de verdachte tot drie jaar gevangenisstraf.
Tenslotte constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, wat in aanmerking moet worden genomen bij de verdere behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het arrest is deels vernietigd wegens niet-behandeld ne bis in idem-verweer en de zaak is terugverwezen; overige veroordelingen blijven gehandhaafd.